Verboden toegang

Twee dagen na zijn ontslag bracht Hugo Molly naar het dierenpension en vertrok naar zijn vakantiehuis in Pitrizza in Sardinië. Hij wilde van de emoties bekomen, zijn woede om het onrecht dat hem was aangedaan laten bekoelen. De reis moest verhinderen dat hij domme dingen deed. In zijn fantasie had hij Pim op een rad gebonden en diens onderkaak met een golfclub tot moes geslagen, waarna hij  de ledematen één voor één had gebroken.

De details van de uitvoering van het doodvonnis waren belangrijk. Zo moest de golfclub een seven iron zijn en diende het breken van de benen en het vermorzelen van de knieschijven klinken als het gekraak van niet al te dikke takken. Pim moest lijden, mocht niet één ogenblik het bewustzijn verliezen. Terwijl Hugo nadacht over de verleidelijkheid van de idee om deze fantasie daadwerkelijk uit te voeren, landde zijn vliegtuig na een vlucht van bijna tweeënhalf uur op de luchthaven van Olbia. Hij haalde zijn koffer van de transportband, liep naar buiten en keek hoe laat de bus naar Pallau vertrok.

In Sole Ruju, een dorp even ten noorden van Olbia, stapte hij af. Vanaf de halte was het vijf minuten lopen naar de boerderij van Frank en Els Ketels, een gepensioneerd archeoloog en zijn vrouw, waar Hugo’s hemelsblauwe Citroën DS in de schuur stond. Het echtpaar had België aan het eind van de jaren tachtig verlaten om voorgoed in Sardinië te gaan wonen. Hij had mooie herinneringen aan de vriendschap met deze oude kennissen van zijn vader, die dieper was geworden door hun gemeenschappelijke liefde voor de geschiedenis van dit nog vrij ongerepte eiland. Later had hij gebruik gemaakt van hun netwerk onder de Sarden en van Franks kennis van de lokale dialecten, vooral toen er bij de bouw van zijn vakantiehuis onderhandeld moest worden met de gemeenteambtenaren. De Ketels waren niet thuis, maar hij had de sleutel van de schuur. Hij stuurde Frank een SMS-bericht, gooide zijn bagage in de koffer van de snoek Citroën en vertrok.

Hugo herinnerde zich nog goed de eerste keer dat hij op vakantie ging naar Sardinië. Dat gebeurde op aanraden van zijn vader en hij verloor er terstond zijn ziel. In die vervlogen jaren was hij getrouwd met Christine en werkte aan zijn doctoraalscriptie. Zijn interesse voor de geschiedenis van het eiland dreef hem het binnenland in, waar hij tijdens lange zoektochten naar overblijfselen van nuraghi ook aanwijzingen verzamelde voor de theorie dat Sardinië het verdwenen Atlantis van Homerus was. Christine, die geen belangstelling had voor dergelijke onderwerpen, bleef op de hotelkamer en ging naar het strand of het zwembad met boeken van Brusselmans. Na zijn aanstelling in Wageningen was hij voor zijn onderzoek naar de zeespiegelstijging over de hele wereld gaan reizen. Daardoor was Sardinië wat van zijn glans verloren, maar het bleef zijn favoriete vakantiebestemming. Het was tijdens de zomer van 1991, enkele maanden voor de Praagse geschiedenis die zou uitdraaien op de echtscheiding, dat hij tijdens een wandeltocht met Frank Ketels naar de baai van Pitrizza het bordje had zien staan: ‘Ingresso Vietato!’ Het was niet meteen duidelijk wat er ontoegankelijk was. De schaapherders trokken zich van het verbod hoe dan ook niets aan, want middenin de met lage muurtjes afgebakende vlakte stond een schaapskooi met een tinnen dak en een drinkbak. Het perceel was met de auto alleen bereikbaar via een kilometerslange zandweg vanuit het dorp Poltu Quatu. De eigenaar van het perceel was iemand die er nooit kwam: Hugo’s vader. Hij had de grond aan het begin van de jaren zestig gekocht na een tip van een beursvriend, maar net als in Benidorm kwam hij voor de mooiste stukken te laat: de Pakistaanse Aga Khan had de hele Costa Smeralda al opgekocht. Op aanraden van een Gentse archeologiestudent die hij in Olbia had ontmoet, kocht hij voor een habbekrats een perceel iets meer naar het westen, waarna hij nooit meer een voet op het eiland zette. Italiaanse investeerders schreven hem af en toe aan en deden hem reusachtige aanbiedingen, maar hij redeneerde dat de grond op deze locatie alleen maar duurder kon worden en beantwoordde hun brieven niet. Jacques schonk Hugo de grond na diens scheiding.

Het perceel lag op de rotskust, niet ver van een haven voor plezierboten, en had een indrukwekkend uitzicht over een baai met een zandstrandje en een ondiepe zee van turkoois water. Ongeveer een  mijl naar het noorden lagen het eiland Cappuccini en de schiereilanden van Capo Ferro. De omgeving was ruw en schilderachtig. De bodem bestond voornamelijk uit porfier, de geelrode granietsoort die het landschap domineerde. Er groeiden zonneroosjes, cactussen, wilde tijm en jeneverbesbomen. Er waren rode kliffen, smalle baaitjes met kristalhelder water, hier en daar zandstrandjes tussen de rotsen, ankerplaatsen voor roei- en motorboten, ondoordringbaar maquis en lage muurtjes rond armtierige weitjes, soms voorzien van een waarschuwing met een grote dierenschedel op een staak. Ondanks de tussenkomsten van Frank Ketels duurde het drie jaar voor Hugo de bouwvergunning kreeg. Onder een resem aan voorschriften stond dat alle kabels en leidingen ondergronds aangelegd moesten worden, een hels en ontzettend duur karwei, en dat het huis gebouwd diende te worden met de plaatselijke granietsteen. Het was af in het najaar van 1996. De eeuwwisseling vierde hij er met Kathleen, zijn toenmalige vriendin. De laatste jaren ging hij er minder vaak. Aan de zuidkant had een Italiaanse vastgoedontwikkelaar een vakantiedorp gebouwd dat zijn perceel in een halve cirkel omsloot. Hij had er weinig last van, zijn uitzicht over de zee was ongeschonden gebleven, maar op het zandstrandje werd het steeds drukker. De tijden waarin alleen de plaatselijke visser of een verdwaalde toerist het anker van zijn boot uitwierp, waren voorbij. Waterscooters, de motorfietsen van de zee, zoefden als vervelende muggen over de golven en boten legden aan in de bredere kloven tussen de rotsen, waar soms tot de ochtend luidruchtig werd feestgevierd. Even verderop was de Costa Smeralda het toneel voor film- en popsterren, Libanese diamantairs, Russische oligarchen, maffiabazen, paparazzi, fraudeurs en Arabische prinsen, die geen flauw idee hadden van het elitaire ideaal waarmee Aga Khan dit land in 1962 had gekocht. Vanuit stedenbouwkundig en ecologisch gezichtspunt was het gebied redelijk goed bewaard gebleven; sociaal en cultureel gezien was het een enclave voor de superrijken. Gewone toeristen gingen er heen om zich te vergapen aan de luxejachten, de exclusieve auto’s en de extravagant en schaars geklede vrouwen.

Op de smalle en bochtige S125 naar Palau kreeg Hugo de indruk dat de snelheidsbeperking en de doorgetrokken witte streep enkel voor hem en de Sarden golden. De auto’s die hem inhaalden waren meestal dure huurwagens, bestuurd door zenuwachtige Noord-Europeanen met kinderen op de achterbank, maar die auto’s stelden niets voor in vergelijking met de Pagani Zonda en de Aston Martin met Saoedische kentekens die hem plotseling aan een duizelingwekkende snelheid voorbij raasden. Een kwartier later moest hij hard in de remmen toen er na een scherpe bocht onverwacht een file opdoemde. Een van die idioten was met zijn sportwagen uit de bocht gevlogen en een tiental meter lager in het maquis terechtgekomen. Hugo vroeg zich af of de inzittenden gewond waren, tot hij twee zwartharige, donkerhuidige figuren opmerkte die, gekleed in polo en short, achter de vangrail met hun handen in de zakken stonden te lachen en te praten. Een lichtblauwe Alfa Sud van de lokale politie stond iets verderop geparkeerd. Twee agenten probeerden met drukke armgebaren de nieuwsgierige chauffeurs te laten opschieten. ‘Ze hebben zelfs geen schrammetje, die verdomde klootzakken,’ vloekte Hugo binnensmonds. ‘Godverdomse kamelenneukers. Wie denken ze wel dat ze zijn?’

Toen hij een uur later in Poltu Quatu arriveerde, reed hij naar het plaatselijke supermarktje om er boodschappen te doen. Het schemerde toen hij de auto voorbij het afstandsbediende hek reed en het was nog ontzettend warm. Binnen zette hij de airconditioning aan, haalde een fles Vermentino uit de koelkast en dronk die in minder dan een half uur leeg. Na een tweede fles en een halve, opgewarmde pizza ging hij slapen. Even later werd hij gewekt door een harpdeuntje. Zijn agenda herinnerde hem eraan dat hij de volgende avond een afspraak had met David Homburger.

Advertenties

Ne me quitte pas

Hugo ontwaakte precies op het verzadigingspunt van de nacht, dat ogenblik wanneer de duisternis overgaat in het eerste licht. Hij bleef roerloos liggen, maakte zich los van de restanten van een onprettige droom, staarde naar de houten balken in het plafond en dacht aan de uitzichtloosheid van zijn kluizenaarsbestaan. Daar lag het verzadigingspunt op de dag dat hij zich voor het eerst realiseerde dat zijn huwelijk een mislukking was. Voorheen was hij er rotsvast van overtuigd dat hij zijn lot in eigen hand had, dat hij aan zichzelf kon werken en dat hij, met voldoende wilskracht, alles kon bereiken wat hij ambieerde. Na de echtscheiding had hij geleerd dat je uiteraard je hersens diende te gebruiken, maar dat de fortuin over je leven beschikte. Enkele dagen voor het trouwfeest had zijn moeder hem nog gewaarschuwd en gesmeekt om de verloving te verbreken. Ze had slechte voortekenen gezien: de bliksem was op de eik naast het ovenhuis gevallen, de witte rozen hadden vóór de bloei hun knoppen verloren en de tamme, oude roek lag kort na een bezoek van haar aanstaande schoondochter dood op de koer. Ze had zelfs gedroomd dat Christine een dochter zou baren van een vreemde man.

‘Onzin,’ had Hugo gezegd, ‘ik volg mijn hart, niet de kletspraatjes van een heks, ook al ben je mijn moeder.’

Nu, twintig jaar en twee gestrande relaties verder, wist hij dat een monogaam en geregeld leven niet voor hem was weggelegd. Ook het feit dat hij geen kinderen had, was voor hem een bewijs dat hij schromelijk had gefaald. Maar, zo vroeg hij zich af, hoe hadden de dingen anders kunnen lopen dan ze hadden gedaan?

 

Hij kon zich niet herinneren of hij weer in slaap gesukkeld was of een visioen had gekregen, maar hij was niet verbaasd toen de kamer plots naar appeltjes rook en zijn moeder door de muur naar binnen kwam gewandeld. Ze droeg een lang wit kleed en had een kroon van gevlochten egelantiers op haar hoofd. In haar doorschijnende handen lag een vierkant boek dat ze op de keukentafel legde, naast de nog brandende stompkaars en de dagboeken. Vervolgens ging ze geluidloos op de stoel zitten en opende met een sierlijke beweging het boek, dat bij nader toezien een fotoalbum was. Hugo sloeg een deken om zijn schouders en vroeg of hij haar kon helpen.

‘Ja,’ zei ze, ‘ja. Ik herken de gezichten niet meer. Wijs je me Antonio even aan?’

Hij zag hoe broos ze was, hoe transparant, haar lippen paarlemoer in het kaarslicht, terwijl onder het kleed onafgebroken de ziekte aan haar knaagde. Hij stond recht en ging naast haar staan.

’Dat is je broer,’ zei hij en wees Antonio aan die de fotograaf trots zijn nieuwe fiets toonde. ‘En hier sta jij, moeder, als jong meisje, bij de stenen brug in Pamplona. Dat heb je me altijd zo verteld.’

‘Ja,’ zei ze, ‘dat klopt. De brug naar later.’ Ze haalde de bloemenkroon uit haar haren, ontvlocht hem en legde de roosjes één voor één rond Antonio’s foto. Hugo zag met hoeveel moeite ze zich toelegde op deze taak, alsof ze kleine schatten opborg.

‘Zijn dood is mijn schuld. Ik stootte hem niet opzettelijk aan, maar daardoor viel hij wel op het hek. Ik heb dit nooit gebiecht of anderszins aan iemand verteld.’ Haar stem kwam van ver, alsof ze praatte in de kamer ernaast, en ze werd steeds doorzichtiger.

Hugo schrok. Zijn moeder had hem vroeger over Antonio’s verschrikkelijke dood verteld en hij wist dat haar vader daarom had beslist om met het gezin naar Parijs te trekken, maar deze bekentenis had hij niet verwacht.

‘Wat bedoel je?’ vroeg hij. ‘Heb jij…?’

‘Ik was een kind en het was een ongeluk. Toch heb ik me altijd schuldig gevoeld. Ik zoek vergiffenis.’

‘Ik vergeef je,’ zei hij.

‘Dank je,’ antwoordde ze.

Nu was ze nog slechts een schim. Achter het spook van haar ziekte zag hij de zielen van de mensen die ze had liefgehad, van haar hond Nounours en de kat Poeike, van de kippen en de paarden die van haar het respect hadden gekregen dat alle dieren verdienen, veel meer dan de meeste mensen. Zij was een deel van de wereld en de wereld was een deel van haar; hij een deel van zijn moeder en zij een deel van hem.

‘En, moeder,’ zei hij, ‘nu je hier bent, help me om de wereld waardig te verlaten. Jij weet altijd hoe het moet.’

Ja, zijn moeder had altijd geweten hoe het moest. Hoe je bijvoorbeeld peperkoek of appeltaart bakte, de verrassing speelde als de deur van de oven geopend werd, en hoe je de ramen wijd diende te openen zodat de geur naar de voortuin dreef, over de straat, over de wereld waar hij eeuwig bleef hangen.

‘Ik hou van je,’ zei ze, ‘maar ik ben niet de wachter van jouw sleutel.’

 

Toen hij ontwaakte was zijn moeder verdwenen. De kamer voelde leeg en er steeg een kringelende rookpluim uit de krater van de kaars. Hij had alle Word-bestanden van zijn laptop verwijderd en de brief voor Anabel in de binnenzak van zijn regenjas gestopt. Zijn handgeschreven dagboeken en het fotoalbum lagen voor hem op de tafel. Een mateloze droefheid overviel hem, alsof de dood hem doorheen het oude handschrift een voorbode zond en hem riep: ‘Hugo Legrand! Waar blijf je?’

Voor hij naar het strand vertrok kon hij misschien beter alles verbranden, alles wat hij als kind en jongeman was geweest of gemeend had te moeten zijn… de eenzame zinnen, de gedichten en de korte verhalen die lang geleden als wemelende larven uit zijn dromen en ambities waren gevallen en, nu hij ze wilde herlezen, in cocons veranderden. Waar waren het kind en de jongeman gebleven die dit hadden geschreven? Was hij door de jaren heen dezelfde Hugo gebleven? En als hij alles verbrandde, zou dan ook alles wat hij ooit geweest was verdwijnen, alles wat verborgen was onder de donkerste gewelven in zijn hart, alles wat hij vergeven en vergeten had?

 

Ik wilde graag je geuren vangen met mijn lippen

met mijn speeksel teder de noordlijn om je mond verwarmen

als een krijger je laaiendbruine ogen binnenglippen

en met verstilde spieren begerend sterven in je armen

 

Ik wilde met je nagels, onderhuids, in nutteloze pijn

vinden waar minnaars al eeuwen naar zoeken

ik was te blij om nog beschaamd te zijn

 

En ik wilde ook nog geloven

dat dit geen verraad was en trouw altijd compromissen kent,

dat ik het altaar van mijn vrouw niet van zijn schijngoud zou beroven

tot ik weer achter je oor rook hoe adembenemend mooi je bent

 

Ik wilde dat je aan den lijve ondervond

hoe diep je in mij leeft, dieper dan mijn ademhaling,

dierlijker dan de pijn die je in mijn dromen zond.

 

Wanneer had hij dit geschreven? En wist hij nog wie met de beminde bedoeld werd, welke geur onder het eerste vers verscholen lag, wiens ogen naar hem keken en welke nagels hem mochten verscheuren? Ja, natuurlijk! De woorden waren de verlossende bekentenis van een onweerstaanbaar verlangen geweest. Het was de dag nadat hij terugkwam van een reis naar Praag. Martine, dacht hij, je hebt nooit beseft hoe diep je me hebt geraakt.

 

Het begon in 1991, rond oudejaar. Op een familiefeest werd Hugo benaderd door zijn zwager Jean-Claude, met wie hij een oppervlakkig contact onderhield. Ze praatten een poosje over voetbal en wielrennen.

‘Kan ik jou binnenkort iets belangrijks vertellen?’ vroeg Jean-Claude. ‘In alle vertrouwen, natuurlijk. Anne-Marie moet hier buiten blijven.’

Hugo knikte en ze namen afscheid. Twee dagen later werd hij gebeld.

‘Luister,’ zei Jean-Claude, ‘ik zal maar met de deur in huis vallen: ik heb een vriendin. Ze heet Martine. We kennen elkaar nu twee jaar en willen een lang weekend naar Praag. Als jij er nou mee instemt om zogezegd samen met mij een culturele uitstap te maken, dan kunnen we met zijn drieën gaan. Je hoeft niets te betalen. Als iedereen de snaveltjes dicht houdt, is er niets aan de hand. Wat niet weet, wat niet deert. Plezier gegarandeerd. Wat zeg je?’

Gefascineerd door Jean-Claudes branie zei hij weer ja.

Ze vertrokken op een donderdagavond en reden de hele nacht. Het was stervenskoud toen ze met hun koffers de trappen van het Central Hotel opliepen. Ze trokken er meteen op uit, stevig ingeduffeld, Martine tussen de twee mannen in. Hugo reageerde aanvankelijk niet op het zachte knijpen van haar hand. Ze bezochten de geboortehuizen van Dvorák en Kafka, groetten de simpele zuil op het graf van Smetana en om tien uur in de ochtend van de tweede dag dronken ze ieder tien glazen wodka in een modern aandoende kroeg op Malá Strana. Ze werden in de overvolle tram aangestaard door nors kijkende Tsjechen, maakten domme grappen, hadden geen ticket, betaalden schaterlachend de boetes en gaven de controleur een grote fooi. ‘Einmal ist keinmal!’ riepen ze toen ze als gekken de trappen van het Muzeumstation afstormden en nog een boete kregen. ’s Avonds dronken ze wijn bij het eten en discussieerden met een stel akelige Duitsers over de Grote Literatuur tot er ruzie ontstond over de invloed van Nietzsche’s ideeën op de romans van Thomas Mann. Vervolgens kwam er schnaps op tafel en ging het gesprek alleen nog over de schoonheid van de Tsjechische vrouwen.

Midden in de nacht werd er op Hugo’s deur gebonsd. Het was Martine.

‘Jean Claude snurkt. Ik kan de slaap niet vatten,’ zei ze. ‘Mag ik bij jou komen?’

Voor hij er erg in had lag ze naast hem onder de dekens en begon ze onstuimig te kroelen en te kussen. Even later stormde Jean-Claude de kamer binnen en ontstond er een scheldpartij.

‘Hoer, teef, bedriegster.’

‘Klootzak, was jij maar een echte man, maar nee, je zuipt de hele dag en ‘s avonds krijg je je lul niet meer recht.’

Jean-Claude sleurde de krijsende Martine aan haar haren naar zijn kamer. Op de gang stonden de Duitsers te klagen, maar alles werd weer stil toen een baboesjka zich met de zaken bemoeide en de gemoederen wist te bedaren. ’s Ochtends aan de ontbijttafel werd er gezwegen tot Martine zei: ‘Alles is mijn schuld. Jullie zullen het niet geloven maar het is deze stad die dit met mij doet, en de alcohol. Mensenlief, ik heb nog nooit zoveel gezopen. Ik schaam me diep. Excuses jongens, please?’

De laatste dag bezochten ze de begraafplaats in Josefov. Hugo herinnerde zich de wonderlijke atmosfeer, de kale bomen tussen die eeuwenoude grafstenen. Of was het de aanwezigheid van Martine die hem zo van zijn stuk bracht? Op één steen – hij wist niet eens waarom – legde hij een platte kiezelsteen. Toen hij en Martine even alleen waren in de synagoge, kusten ze elkaar hartstochtelijk. ’s Avonds vatten ze de terugreis aan. Ne me quitte pas, zong Jacques Brel ergens op de autoweg bij Neurenberg.

 

Toen hij bij haar in de straat arriveerde, zag hij de gordijnen bewegen, een teken dat ze op hem stond te wachten. Enkele uren eerder had hij haar gebeld. Hij zou naar haar huis komen om zijn spulletjes op te halen en afscheid te nemen. Veel was het niet, enkele cd’s en een paar schoenen. Ze had hem een laatste keer binnengelaten. Hij had voor haar gestaan. Hij wist dat alles zou herbeginnen als ze elkaar weer zouden kussen zoals destijds in de synagoge. Hij dacht aan zijn vrouw, aan wie hij alles had opgebiecht en die thuis op hem wachtte. Hij raapte de plastic tas met zijn spulletjes op die Martine in de hoek van de gang had gegooid en vertrok. Sinds die dag was Christine depressief. Op een keer werd hij midden in de nacht wakker; haar plek in het bed was leeg. Ze trok in bij een nieuwe vriend en werd zwanger – het was een dochter.

Jaren later, toen alles zich geëffend had – zoals het oppervlak van een waterplas zich eindelijk rimpelloos sluit na een stormwind en alle dieren onder de waterspiegel onverstoord verder leven – was hij teruggegaan naar Praag, om in te ademen wat was geweest. De stad was veranderd, het stikte er van de toeristen, maar in zijn herinneringen was er nooit een afscheid geweest. Hij stuurde Martine een ansichtkaart met een beeltenis van de zerken op het Josefovkerkhof. Onder zijn groeten schreef hij zijn nieuw adres in Wageningen. Ze had niet geantwoord.

 

Hij scheurde het blad met het gedicht zorgvuldig uit het dagboek en hield het papier in het vlammetje van zijn aansteker. De woorden vielen op de tafel en verdwenen in een kort maar hevig vuur. Hij verpulverde de smeulende as en veegde die op een hoopje met zijn vingers. Zo werden zijn herinneringen versneden tot dunne draden van voorbij-zijn – als je ze aanraakte trilde het hele web en kwam de wachter uit de gewelven tevoorschijn. Hij probeerde niet meer aan Martine te denken, en hij zou Rilkes slaapliedje op het volgende blad ook moeten verbranden.

Wat gek eigenlijk, dat verbranden wat hij met zoveel toewijding had geschreven en jarenlang had bewaard. Maar had de mens niet altijd de zondaars vernietigd met vuur? Hij riep Molly en liep samen met haar naar buiten. De zon was een zilveren cirkel achter de naakte, zwarte bomen aan de horizon. Het ovenhuis trilde in zijn wit gestucte vlies onder de langzaam opwarmende lucht.

Ochtendgloren

Zo laat in september is het vroeg in de ochtend nog donker. De wassende maan verlicht de grijns op het gezicht van Seyyid, mijn geliefde, die achter de tralies van de naastgelegen kooi in de foetushouding ligt te slapen. Heeft hij de spoken in zijn hoofd overwonnen en zijn beulen vergiffenis geschonken? Of droomt hij betoverende beelden uit zijn kindertijd in de anijsgroene moerassen van Saft Turab? De stilte van de naderende dageraad wordt alleen verstoord door het geluid van zijn piepende ademhaling, een gevolg van tien jaar sigaretten roken, en het gejank van een hond in de verte. De hond is een twijfelgeval, halal noch haram. Wij niet. Voor de moordenaarsbende van Abu Bakr zijn Seyyid en ik nog minder dan straathonden.

As-salatu sjayrun min an-nawm – je kan beter bidden dan slapen. Ik voel de druk van mijn lichaam op de aarden vloer van mijn gevangenis en luister met ingehouden adem naar de stem van de muezzin, over dit deel van de oude stad aangevoerd door een zacht briesje dat met zijn geuren van zoete kruiden, versgebakken brood en eeuwenoud stof voor Allah’s goddelijke adem zou kunnen doorgaan. Het lijkt alsof de woorden van de azaan naar de Eufraat afdalen, maagdelijk en zonder weerstand te bieden meedrijven op het water, kracht en goddelijk gezag absorberen, en gekatapulteerd worden tot hoog in het oplichtend ochtendblauw waar ze de sterren één voor één verdoven. De klanken stromen door de tralies naar binnen en getuigen van zo’n wonderlijke schoonheid dat ik bijna moet huilen. Niets is zaliger dan de waarheid van de Qur’an. Allahu akbar.

Seyyid zal nu wel wakker zijn, maar hij bewoog nog niet. Hij wacht op mij. Hij wacht áltijd op mij. Als ik beslis om op te staan, zal het de allerlaatste keer zijn. Dat geldt voor alles wat we in de korte tijd die ons nog rest samen zullen doen. De soldaten kunnen ons elk ogenblik komen halen. De mannen van Ar-Raqqah zullen zich joelend rondom ons verzamelen, ons slaan en bespuwen, de stenen reeds in hun magere handen geklemd. Dan worden we geblinddoekt naar het hoogste terras van de toren gebracht. De val duurt de tijd van een ademtocht.

Ik richt me op en zoek, in het duister tastend, mijn kleren. ‘Daar,’ zegt mijn lief. Meer niet, alleen dat ene woord. Hij wijst me mijn djellaba aan. Vervolgens knielen we. Kijken naar de linkerwand van onze cel, want daarachter – in vogelvlucht zo’n tweeduizend kilometer naar het zuiden – ligt de eindbestemming van het leven van onze zielen en van de soera die Seyyid aanstonds zal reciteren: de poort naar de tuinen van het Paradijs, de heilige stad Makkah.

Ana’s jeugd

Oma Ana was een babbelkont. Ze kon het urenlang over Spanje hebben, het land dat ze met tegenzin had verlaten toen haar stiefouders halsoverkop naar Parijs verhuisden. Af en toe zei ze schertsend dat ze het jammer vond dat opa geen Spanjaard was; iets wat ze – geloof ik – ook echt meende. Ze mocht dan wel in Spanje geboren zijn, er stroomde onmiskenbaar Noord-Afrikaans bloed door haar aderen. Ik herinner me nog met hoeveel vuur ze me vertelde hoe ze haar vondelingenstatus had ontdekt.

Rond haar tiende verjaardag begonnen haar vriendjes haar La Gitana te noemen. Ze vond het zelf ook een leuke naam. Mysterieus en misschien wat apart, maar hij paste bij haar. Want al leek ze uiterlijk niet op de zigeuners, ze herkende wél de aard van dat vrijgevochten, onbeschaamd volk dat aan de rand van de stad in barakken van golfplaten en tentendoek woonde. Met haar bruine reeënogen en gitzwarte kroesharen was ze een van de meest in het oog springende meisjes van Pamplona, en hoewel ze geen glitterjurkje had aangetrokken en zich niet, zoals de andere meisjes, met blauw en roos en rood als een del had opgemaakt, werd ze dat jaar – 1948 – op de schoonheidswedstrijd van de wijk Casco Viejo tot Reina verkozen. Sinds die dag werd ze door zelfs de brutaalste straatschoffies met respect bejegend.

Die zomer bloeide ze helemaal open. Ze nam de energie op van het zonlicht en de regen die de koele noordenwinden aanvoerden. Haar vriendinnetjes liet ze niet vallen. Ze vond ze nu alleen minder belangrijk en verkoos het gezelschap van de jongens. Ze ging met ze duiken in het stuwmeer van Alloz en daagde ze uit tot geïmproviseerde straatgevechten en levensgevaarlijke klimpartijen op de Citadel. Haar branie wekte ieders aandacht en haar scherpzinnigheid deed velen verbaasd opkijken. Ze voelde zich gerespecteerd en had het gevoel dat haar ziel steeds vrijer en sterker werd. Bij ruzies wist ze steevast een oplossing te vinden door de partijen te verzoenen en de stijfkoppige vechtersbazen naar hun ouders te sturen. Op een mooie dag was na de speeltijd de rust weergekeerd aan de oever van de Arga. Het was bijna etenstijd en de meeste kinderen  vertrokken naar huis. Het werd stil onder de middaghitte. De vogels zochten met open bek verkoeling in de schaduw van de struiken bij het water. Ana en haar vriendje Luís Bautista lagen naast elkaar op het grasveld vlakbij de Magdalenabrug. Hij vroeg of ze wel wist dat ze heel mooie tenen had. Het klonk niet als een vraag, eerder als een vaststelling en een uiting van bewondering. Ana bestudeerde ze even. Ze vond ze niet zo bijzonder. Meer nog: haar voeten leken haar net klompen; die van Luís waren veel slanker. Ze legden ze naast elkaar en vergeleken ze. De waterdruppels gleden van hun huid en glinsterden in het overdonderend witte licht van de zon. Plots werd Luís ernstiger.

‘Weet je dat ik van mijn vader eigenlijk niet met je mag spelen?’

Ana richtte zich op en keek hem verbaasd aan.

‘Hoezo?’

‘Volgens mijn vader zijn jouw ouders geen katholieken en is je opa een franquist.’

Ana begreep niet wat hij bedoelde. Haar ouders waren in Pamplona geboren, zei ze, net als de zijne. ‘Nou ja,’ had Luís geantwoord, ‘katholiek of niet, mijn vader zegt dat Fernando en Antonia niet jouw ouders zijn en dat je ergens anders vandaan komt. Maar dat vind ik niet belangrijk, Ana. We zijn vrienden en, wat mijn vader ook zegt, ik blijf wel gewoon met je spelen. En wordt nou alsjeblief niet boos.’

Maar Ana werd wél boos. Ze riep dat hij loog.

‘Weet je dan niet waarom iedereen jou La Gitana noemt?’

Nee, dat wist ze niet. Of toch… . Ze had er eigenlijk nooit lang bij stilgestaan. Het was ook nooit een echte gedachte geweest, eerder een besef dat flinterdun en ver op de achtergrond dreef, als een fijn lichtstraaltje dat feller en breder werd, tot het weer in het niets verdween. Ja, af en toe dacht ze dat ze anders was dan de anderen. Maar hoe anders? Het leek haar nu dat haar keel werd dichtgesnoerd en haar tong was gebroken.

Luís vervolgde zijn betoog: zijn vader wist dat Antonia haar op een ochtend voor de voordeur had gevonden. Maar dat was geen schande, veel kinderen waren hun ouders kwijtgeraakt tijdens de oorlog. Ana riep dat hij alles had verzonnen. Luís spuwde door zijn vingers, zweerde op de Madonna dat hij niets, echt helemaal niets, had gelogen en dat hij haar vriend wilde blijven. Ze krijste dat ze hem nooit meer wilde zien, trok vliegensvlug haar kleren aan en liep naar huis. Voor ze naar binnen ging veegde ze haar tranen af en wachtte even, zodat niemand zou zien dat ze gehuild had. Het was gelukkig nogal donker binnen. Fernando en Antonia zaten soep met brood en kaas te eten. Antonio zat op de schoot van zijn moeder en speelde met een vork. Het rook er naar reuzel, ui en knoflook. Fernando had die ochtend een varken geslacht en de verse bloedworst hing in spiralen aan bezemstelen te drogen. Ana waste haar handen en ging op haar plek zitten.

‘Je bent te laat,’ zei Antonia.

‘Ik heb gezwommen en vond mijn handdoek niet meer, daarom moest ik langer wachten tot ik droog was,’ jokte Ana.

‘Kon je geen handdoek van iemand anders gebruiken?’

‘Nee, iedereen was al naar huis. Alleen Luís was er nog.’

‘Is dat niet de jongste van de bakkerij hier om de hoek?’ vroeg Fernando.

‘Ja,’ antwoordde Ana, ‘en weet je wat hij zei?’ Ze had gehoopt het overweldigende gevoel van verdriet te kunnen onderdrukken, maar nu kwam alles toch naar boven. Ze wist dat ze straks onbedaarlijk zou huilen.

‘Wel, wat zei hij dan?’ vroeg Antonia.

‘Nou… ,’ snikte ze, ‘hij zei dat jullie mijn ouders niet zijn.’ Ze sprong recht en rende hard de trap op. Fernando en Antonia hoorden de deur van haar slaapkamer met een klap dichtvallen.

‘Let jij op Antonio, ik ga met haar praten,’ zei Antonia en ging Ana achterna.

‘Luíster, lieve Ana,’ zei Antonia, ‘Luís sprak de waarheid. We meenden dat je hier nog te jong voor was, maar we hebben ons daarin zo te zien vergist. Natuurlijk ben je ontzettend van slag nu je er zelf achter bent gekomen, maar ik zal je alles vertellen wat ik weet.’  Antonia vertelde haar hoe ze de buitengewone vondst op die ochtend in augustus 1938 had beleefd, hoe beroerd Ana er toen aan toe was geweest en hoe wonderlijk snel en goed ze er met de hulp van dokter Huder bovenop was gekomen.

‘En Antonio?’ vroeg Ana, ‘is hij ook een wees?’

‘Nee. Maar hij is jouw broer, en we houden evenveel van jou als van hem.’

Antonia gaf haar een kus op het voorhoofd.

‘Ana is dus niet de naam die mijn echte moeder mij gaf?’

‘Nee, die kent niemand. Papa wilde dat we jou Ana noemden, naar zijn grootmoeder. Ik vond het ook een mooie en toepasselijke naam. Zo is het gegaan.’

‘Fernando is mijn papa niet, en jij niet mijn mama.’ Ana maakte zich los uit de armen van Antonia, liep naar beneden en ging aan tafel zitten alsof er niets was gebeurd.

De geseling van een Samboe slavin

Hoewel erfelijke factoren een rol kunnen spelen, is er over het ontstaan van primaire hersentumoren vrijwel niets bekend. Ook onderzoek naar de invloed van de omgeving en de levensstijl van de patiënten leverde nooit significante parameters op. Met een MRI-scan kan een nauwkeurige diagnose worden gesteld, doch zekerheid wordt pas verkregen na een biopsie.

Dat was, in een notendop, de informatie die Thomas kreeg van Dr. H.A.W. Eysenck van het Leids UMC, voor ze hem meedeelde dat op de laterale temporale kwab, in de omgeving van de secundaire auditieve cortex en tamelijk diep, dat wil zeggen: ongeveer twee centimeter onder zijn hersenschors, een hooggradige tumor was vastgesteld. Het was een woensdagmiddag, laat in september. Een streep zonlicht viel op de magere hand naast het toetsenbord van de laptop en werd duizendvoudig weerkaatst door de diamant in haar trouwring. Op de boekenplank stond een lijstje met de foto van een lelijke man met zwart piekhaar en twee donkerblonde kleuters op schoot. Dokter Eysenck keek Thomas aan, knipperde met haar ogen. Hij had haar al eens eerder gezien, maar kon zich niet herinneren waar of wanneer.
‘Graad drie, om precies te zijn,’ besloot ze haar mededeling.
Het waren die woorden waarvoor hij zo bang was geweest en waarop de lieve mevrouw Van Zuijlen van de huisartsenpraktijk hem na de bloedprik had voorbereid. Vreemd genoeg haalde dokter Eysencks koude analyse hem uit zijn depressieve gemoedstoestand. Dit was ongetwijfeld het slechtst mogelijke nieuws – het konijn keek verkrampt in het felle licht van de lamp – doch de biopsie forceerde een kier in het hekwerk van de dodencel – het konijn kon misschien nog op wonderbaarlijke wijze ontsnappen.
Dokter Eysenck stond op uit haar stoel, kwam naast hem staan – Chance van Chanel, heel zwak – en toonde hem het beeld van de scan op het scherm van haar tablet. Ze wees een donkere, min of meer cirkelvormige vlek aan die ze met een vloeiende beweging van haar gemanicuurde duim en middelvinger vergrootte tot iets wat leek op de nevelachtige constellatie die ontstaat bij de ontploffing van een supernova. De afmetingen van zijn schedel in acht genomen, was het gezwel zo groot als een duivenei.
‘Dit is de boosdoener,’ zei ze, ‘de oorzaak van uw migraine en de vreemde stemmen in uw hoofd, én van uw seksuele obsessies.’
Hij schrok. Had ze die informatie in het patiëntendossier gelezen? Wat wist ze nog meer over hem? Verbluft wendde hij zijn blik af en keek een poosje naar de neuzen van zijn schoenen. Dokter Eysenck ging weer zitten. Ze legde haar tablet behoedzaam op het bureau. Draaide het blad van de maandkalender om naar oktober. De zon verdween gedeeltelijk achter een partij dreigende wolken en viel in een jakobsladder terug naar de aarde. Kon het symbolischer?
‘Graad drie. Betekent dit dat ik de spreekwoordelijke vogel voor de kat ben?’
‘Nee, niet noodzakelijk,’ antwoordde ze. ‘We weten niet honderd procent zeker of de tumor kwaadaardig is. Er is een kleine kans dat het goed komt. Toch wil ik u geen valse hoop geven. Als ik u was zou ik voorbereidingen treffen.’
Ze was hem niet, en hij was geen man die voorbereidingen trof. Nooit geweest. Voorbereidingen… Waartoe? Sinds de breuk met Juliette leek zijn bestaan op een pakje ham dat weken over de houdbaarheidsdatum heen was. Dokter Eysenck had makkelijk praten. Deze witgejaste, mooie, gezonde vrouw, moeder en echtgenote die midden in het leven stond, zou straks naar huis rijden, het avondmaal bereiden, haar donkerblonde kinderen in bed stoppen, televisie kijken met haar koude voeten tussen de dijen van haar man, neuken of zichzelf bevredigen en gaan slapen, zonder bij die activiteiten ook maar één ogenblik aan hem te denken. Hij daarentegen… .
‘Hoe lang heb ik nog?’
‘Dat weet ik niet. Als de tumor kwaadaardig is en de operatie mislukt, hangt het er van af hoe snel hij zal evolueren naar graad vier. Dan kan hij zo snel groeien dat er weefselverval zal ontstaan. Uw klachten zullen toenemen, zowel in aard als in frequentie. Gezien de locatie denk ik aan de mogelijkheid van epilepsieaanvallen en spraakuitval. Ik las dat u chirurg bent?’
Thomas knikte. ‘In het Alrijne. Spataders.’
‘Aha. Dan zult u zich ongetwijfeld realiseren dat het op die plaats erg moeilijk is om een gezwel operatief te verwijderen zonder gezond weefsel te beschadigen.’
Hij knikte nog eens. In het gunstigste geval restte hem het leven van een plant.
‘Ik kan u geen medicatie voorschrijven, want die bestaat niet. Ik laat mijn assistente alvast enkele data reserveren voor de biopsie. Ik neem aan dat u die zo spoedig mogelijk plaats wilt laten vinden?’
‘Uiteraard.’
Langzaam begon het hem te dagen. Ze hadden elkaar in deze stad gekend, zeventien jaar geleden. Hij kon nauwelijks geloven dat zij dit zich niet herinnerde. Dokter Eysenck tikte zwijgend een notitie, stond recht en begeleidde hem naar de deur. Ze lachte hem bemoedigend toe en legde een ringloze hand op zijn arm, haar enige blijken van compassie tot nu toe. ‘Tot binnenkort, meneer Legrand. U houdt zich kranig. U kunt bij de balie de verwijsbrief voor de biopsie ophalen.’ Ze drukte hem stevig de hand.
‘Ik heb nog één vraagje,’ zei hij. ‘Kan het zijn dat wij elkaar al eens ontmoetten?’
‘Nee,’ antwoordde ze, ‘onmogelijk. Ik zou me u zeker herinneren.’
‘Ja, dat is zo. Bedankt.’
Hij wist nu zeker dat zij het was.

#
Hij drinkt een glas koel water, kleedt zich uit, ontlast zich en gaat naar bed. Zeker, hij voelt een hevige angst voor het onbekende, zoals iedereen in het aanzicht van de dood, maar hij is wonderwel in staat om deze emotie te beheersen. Nog nooit voelde hij zich zo wakker, zo lucide. Stel je eens voor, denkt hij, een dwarrelende gedachte volgend, dat Helga alles heeft geënsceneerd; dat ze me – leer me haar kennen! – uit wraak de scan en het biopsierapport van een dode patiënt heeft voorgeschoteld. Hij wuift de gedachte weg. Helga ging, anders dan hij, nooit een directe confrontatie uit de weg. Hij plaatst twee kussens achter zijn rug, ademt diep in en opent met een scalpel de slagader op zijn linkerpols. Dan laat hij zijn arm zakken in de Chinese vaas die hij daartoe naast het bed heeft klaargezet. Hij sluit zijn ogen. Zijn bloed ruist ritmisch op het porselein.
Hij weet het nog goed. Op de muziekschool zaten ze in dezelfde klas. Elke week weer stierf hij van verlangen om dat ene uur bij haar te zijn, om haar toevallig aan te raken met de zijkant van een dij of met een blote arm, of alleen maar met zijn adem. Ze negeerde hem. Een tijdlang achtervolgde hij haar naar de laan waar ze woonde, tot hij haar op een keer aan de schoolpoort durfde te vragen om samen naar huis te fietsen. ‘Nee,’ antwoordde ze, ‘onmogelijk.’ Ook haar telefoonnummer kreeg hij niet. Hij weet nog hoe hij zich toen voelde. Op een avond, niet veel later, hield hij haar staande. Hij was niet alleen. Walter hield haar polsen vast. Rolf belette haar om hulp te roepen. Ze bood hevig weerstand. De daad was teleurstellend snel achter de rug.
De herinnering is merkwaardig scherp en gedetailleerd, zo echt dat hij Helga’s angst weer kan ruiken. Eigenlijk is het geen herinnering; eerder een levende, wriemelende dwanggedachte die als een poliepenkolonie zijn ziel overwoekert en net zo’n overweldigende indruk op hem maakt als de tekening die hij voorafgaand aan de schanddaad in een oud boek ontdekte. Op het titelblad las hij ‘Reize naar Surinamen en de binnenste gedeelten van Guiana’. Tussen een aantal gravures van landkaarten, zeilboten en vliegende vissen, stond ‘De geeselinge van een Samboe slavin’. Het brute realisme van de tekening fascineerde hem: de kale boom, haar geboeide polsen, het scherpe touw, de bloedende striemen, haar voeten, wild in het rond trappend, de ontzetting in haar ogen… Helga moest de plaats van de slavin innemen. Dat zou haar leren!
Aan zijn rechterkant voelt hij de aanwezigheid van een schim die zijn doodsstrijd onverschillig gadeslaat. Hij mist de kracht om zich ernaartoe te draaien. Zijn hart klopt traag en zwaar. Zijn ademteugen worden oppervlakkig, vullen zijn longen niet meer. Twee krachtige handen omklemmen zijn hoofd en een zachte, gladde tong glijdt zijn gevoelloze mond binnen. De tong likt zijn tanden en de binnenkant van zijn lippen, dringt tot diep in de mondholte door, stoeit met zijn huig en kronkelt langs de keelholte en het binnenoor naar een punt ergens achter zijn blind wordende ogen. Daar ontstaat een felle hitte die zich over geheel zijn lichaam verspreidt. Hij huivert, voelt een aandrang om te copuleren, maar zijn lichaam is nog slechts een reutelend omhulsel voor zijn ziel. De tong vervolgt zijn weg langs de witte huid van zijn hals, glibberig, gulzig likkend, over zijn ruggengraat tot diep tussen zijn billen, waar hij stilhoudt voor zijn anus. ‘Maak je geen zorgen, mijn lief,’ lijkt de tong te zeggen, ‘ik wil alleen maar bij je zijn, en bij je binnendringen zoals jíj bij me binnendrong.’

Dorp van mijn grootvader I

Als kind, kijkend naar het roze vlees van de gevilde konijnen die zijn grootvader Georges met een vlassen touw om de poten aan het gietijzeren hekwerk van de kippenren had opgehangen, kon Hugo niet bevroeden dat zijn leven vierenvijftig jaar later zo ontzettend kort zou lijken. De toekomst bestond toen nog uit een holle, onmeetbaar uitgerekte hoeveelheid tijd die eindigde in de ruimte bij de stenen brug over de rivier die traag door het dorp Roesbrugge stroomde en als een hongerige worm aan de bruinrode aarde van de oevers knaagde.

Doorgaans gebeurde er weinig tot niets op de rivier. In december overstroomden de laaggelegen akkers waarlangs bij hevige vorst de geluiden van schaatsers weerklonken. ’s Zomers knikkebolde de tijd onder het gezoem van vliesvleugeligen en bleef het merkwaardig stil: niet lang daarvoor waren de graanboten en de platbodems met koloniale waren verdwenen, en met hen een rits luidruchtig werkvolk. Soms was er geen stroming merkbaar. Dan leek het water op een inktzwarte duivelspoel die, als de zon in de juiste hoek stond, veranderde in een streep kwikzilver die het dorp vanuit het zuiden in tweeën sneed. Het water wachtte, geduldig gistend en borrelend, op het verlossende eb van de Noordzee en maakte de oevers week en geschikt voor de nesten van honderden generaties kolossale ratten die, beschut door koolzaad en fluitenkruid, de eindeloze gangen groeven waardoor over de kaap der jaren de loop van de rivier en het aanzicht van het dorp veranderden.

Onder de akkers en de weilanden kreunden de skeletten van gesneuvelde krijgers uit oude werelden. Ooit leefden ze onder dezelfde grijsblauwe luchten als wij, voelden de warmte van de dageraad, zagen de ondergaande zon nog één keer gloeien, beminden en werden bemind. Maar hun offer was vergeefs. Als de tijd om te leven was aangebroken, trokken de zonen in de langverwachte nieuwe wereld van hun vaders weer ten strijde en brachten de vredesengel machinaal om het leven. Jaren na de strijd knielden Kollwitz en Guynemer op gemillimeterde graspartijen bij de kadavers van hun jongens, omringd door vuurstenen memorialen, herinneringskruizen en duizenden zandstenen zerken. Op een bruinige foto uit 1913 wees grootvader hem zijn broers aan: Michel, Gabriël, Maurice en Joseph. Ze kwamen niet terug.

Maar als die veranderingen op het terrein al onwaarneembaar traag verliepen voor het oog van een mensengeslacht, hoezeer gold dat dan niet voor het jongetje dat nog een heel leven nog voor zich had en wiens zorgen voorlopig uit niets anders bestonden dan op tijd komen voor het avondeten na het geroep van zijn oma aan de achterpoort bij de moestuin? De kat zat hem op te wachten om samen naar binnen te gaan.

 

De rivier was de woonplaats van platvis en miljoenen palingen en, zo werd verteld, van een legendarische snoek die waterhoentjes en eenden vrat, zo groot als kleine kinderen. Het schuwe beest werd maar zelden waargenomen: op een ochtend voor de dauw was opgedroogd, in een flits tussen het groen van de waterpest, of bij de ondergaande zon, in een modderkolk, bezadigd en loom de diepte induikend. Niemand slaagde erin om hem te verschalken. Doch op een snikhete zomerdag in 1959 – een klein jaar voor mijn geboorte –  fotografeerde boer Berten Develter het monster tussen de rietkragen met de Leica III van zijn oudste zoon Pierre, die in Gent voor dokter studeerde en de film daar liet ontwikkelen. In het dorp wachtten ze drie weken vol ongeduld op de komst van de foto en, nadat hij op een vrijdagavond door de handen van haast elke visser uit de streek ging en daarbij werd voorzien van spuugdruppels en de meest stupide commentaren, prijkte hij prominent in de sponning van de spiegel achter de toog van het café Het Christen Volkshuis bij Julien Gunst. De foto was onscherp, maar niemand vond dat een probleem. Het vage beeld werd veeleer gezien als het bewijs van de doortraptheid van de vis, en was op de lengende herfstavonden aanleiding tot verhitte discussies met honderden keren dezelfde idiote argumenten en tegenargumenten, verwarde beschrijvingen en absolute zekerheden. De kaartspelers in de hoek, vloekend en zwerend onder de vergeelde affiches van notariële verkopen en duivenvluchten uit Barcelona en Clermont-Ferrand, vonden de hele discussie maar niks. ‘Wat is dat met die snoek?’ gromde Pé Cesar, ‘we zijn toch palingvissers? Hartens troef, godverdomme, wie gaat er mee?’ en er werd door een vuist met zo’n kracht op de tafel gebonkt dat het leek alsof er een reusachtige kakkerlak overheen liep die met één klap verpletterd moest worden. ‘Vier pinten, Gunst!’.

Julien Gunst was klein van stuk, cynisch in zijn spreken en bescheiden in zijn zwijgen. De plek achter de spoelbakken en de krakende vloer rond de toog waren sinds het tweede vredesjaar de heilige grond waarop hij elke dag om zes uur ‘s ochtends zijn rituelen uitvoerde. Eerst trok hij zijn grijze stofjas aan, goot dan met kokend water de koffiefilters op, ontgrendelde de inkomdeur, spoelde de asbakken om en ververste het water in de spoelbak. Dan ging hij zitten op zijn kruk, bespiedde in de schaduw van de clivia’s een korte tijd de voorbijgangers en gaf de barometer een tik. Hij hoorde hoe Yvonne in de achterkeuken snel en bedreven het bestek en de borden afwaste, en toen hij zijn kruk verschoof om zijn twee nog half slapende kinderen even op de schoot te nemen, bedacht hij dat het leven geen geschenk was, maar ook geen straf.

Om vijf voor zeven riep hij zijn vrouw. De eerste klanten kwamen binnen, altijd in dezelfde volgorde: eerst de dierenhandelaren, dan de gepensioneerden. Ze dronken hete koffie met suiker en jenever, en tussen het geslurp, gelach en gesmak door weerklonken er rauwe, deels ingeslikte klanken die erg leken op de kreten van hun beesten. Julien werd soms kregel als hij hun banale roddels moest aanhoren, maar dan ontmoette zijn blik die van Yvonne en bond hij in. Ze hadden de zaak onder controle. Yvonne deed de zaal, weerde al naargelang lachend of kijvend de vrijpostigheden af en nam het geld in ontvangst; Julien deed de toog en de koelkast. In de achterhoede stonden de glazen en een bonte rij flessen strak in het gelid en vanop zijn kruk bestuurde hij met een botergele vliegenmepper zijn rijk waarin onafgebroken geroddeld, geruzied, gedreigd en verzoend werd. Niemand haalde het in zijn hoofd om zijn autoriteit te betwisten.

Op de kermiszondag van september 1964 kwam hij tussenbeide om een vechtpartij te beëindigen die begon toen een vreemdeling uit Gent de vaste klanten uitdaagde om de snoek te verschalken met het nieuwste van het nieuwste, een hengel van glasvezel, het jaar daarvoor voor het eerst gepresenteerd op de wereldberoemde Hengelsportbeurs van Brussel, en uitgeroepen tot hét materiaal van de toekomst. De dorpelingen, die nog met bamboehengels visten en nog nooit van glasvezel hadden gehoord, haalden bij de vreemdeling met hun debiele opmerkingen het bloed onder de nagels vandaan, en het duurde niet lang eer de heetgebakerde mannen op de vuist gingen. Door de tussenkomst van Gunst kon de Gentenaar de telescopische wonderhengel uit zijn busje halen en bewijzen dat hij niet voor niets de grootste hengelsportzaak van Vlaanderen bezat. De dorpelingen keken verbluft naar dit verbazingwekkend mirakel der vooruitgang en er ontstond een voorzichtige vriendschap: er werden hengels gekocht en motieven gezocht, strategieën besproken en samenwerkingen beklonken, netten geboet en stalen vislijnen met kabeljauwhaken geprepareerd.

De klopjacht op de snoek werd op de eerste zaterdag van oktober officieel geopend met een tournée générale en een toespraak van de onderpastoor die, als ondervoorzitter van de vereniging Op Goede Hoop, de onderneming met wijwater zegende. Drie weken later, na in een verbazingwekkende demonstratie van grondigheid en doorzettingsvermogen systematisch elke vierkante centimeter van een strook van vierhonderd meter afgezette rivier met netten en haken te hebben bevist, hadden de vissers voorntjes, snoekjes, salamanders, glasalen, zeelten, baarzen, brasems, grondels, enkele graskarpers en verroeste fietsen bovengehaald, maar van het monster was geen spoor te bekennen. Een van de gepensioneerde jagers trapte in een rattenhol, viel, brak zijn heup en gleed van de gladde oever de vaart in, en hoewel ze hem onmiddellijk met man en macht uit het koude water haalden en met het Volkswagenbusje van de brandweer naar het ziekenhuis brachten, overleed hij een dag later aan een hartaanval. Tenslotte staakten ze de strooptocht onder druk van het verdriet van de weduwe en de verwensingen van hun echtgenotes. Na de begrafenis bezwoeren ze de onsuccesvolle en ongelukkige afloop van hun queeste met liters Forte-Brune en eau de vie, en toen ze een dag later de resten van hun materiaal verzamelden, hoorden ze stroomopwaarts, een eind achter de netten, een enorme plons. Ze haastten zich naar de plek waar iemand vanuit de verte een piramide van water en een zilveren flits had gezien, maar toen ze er arriveerden was er op het water geen rimpel meer te bespeuren. Er dreef wat bloederig dons van een jonge eend onder de oever en aan de overkant bewogen waterplanten traag heen en weer, aangedreven door kolossale vinnen.

 

Twee jaar na de legendarische vispartij dreef de vis levenloos onder de stenen brug en toonde de wereld zijn witzilveren buik. Pé Cesar haalde hem uit het water. De vis woog zesenzestig pond en werd opgezet door herenkapper Edgar Maes, wiens twijfelachtige kennis van de taxidermie zijn kapsalon had omgevormd tot een naar formol geurend rariteitenkabinet. Toen hij klaar was met de klus, leek de snoek op een reusachtige haring en belandde na een korte zwerftocht door de woonkamers van de bestuursleden van de hengelclub op grootvaders zolder.

Pé Cesar heette in werkelijkheid Cesar Oyaert en was altijd in of rond Het Christen Volkshuis te vinden. Na een tijd kwam Hugo er achter dat Pé geen familie was van Gunst maar er wel woonde. Als wederdienst werkte hij in de moestuin en verzorgde de kippen en de konijnen. Elke ochtend zat hij aan hetzelfde tafeltje dicht bij het venster van het café, maiskleurige Gitanes rokend en verdiept in Le Figaro. Om half acht ging hij aan het werk en tegen vieren ging hij boogschieten op de liggende wip in de feestzaal met de aarden vloer. Hij was niet bang voor spinnen en leerde Hugo schelden en vloeken in het Frans: ta gueule, merde, salaud, putain, … . Soms vertelde hij over zijn legerdienst in Algerije, stuk voor stuk afschuwelijke verhalen, niet geschikt voor kinderoren. De wreedheden – hoe omfloerst ook verteld – brachten Hugo’s fantasie zo op hol dat hij niet meer alleen naar bed durfde.

Soms had Pé het over de tijd, lang geleden, van zijn restaurant en over Delphine, zijn jong overleden vrouw. Op een dag, niet lang na haar dood, had hij een pan te lang op het vuur laten staan en was het restaurant in de fik gegaan. Na een gevecht met de verzekeringsmaatschappij (dat hij verloor) wilde de bank hem niets meer lenen. Alleen het stukje grond was nog wat waard, maar dat kreeg hij niet verkocht voor de prijs die hij wilde. ‘Zo komt het, Hugo,’ zei hij, ‘dat ik soms zo stil ben.’ Hugo zei dat hij de moed niet moest opgeven. ‘Je bent een lieve jongen,’ zei Pé. Ze werden allebei emotioneel. ‘Hugo,’ zei hij, ‘jij bent soldaat en ik ben de kapitein. Je moet nu gaan. Zeg “A vos ordres, mon Capitaine!”’. ‘A vos ordres, mon Capitaine!’ riep Hugo uit volle borst. Hij salueerde, Pé salueerde en draaide zich om, hinkend op zijn prothese, en keek niet meer om. Hugo wist zeker dat hij huilde.

 

Wat een gezegende kindertijd was het, ver van het gewoel van de grote stad, in dat onooglijk dorp waar de mensen op zomeravonden op hun stoep verschenen om te praten over wat er gebeurde in de verre, drukke wereld. De opgezette monstersnoek viel, wijdbeks stof happend, uiteen in een vochtig hoekje op zolder en langzaam ontgroeide Hugo de warme beslotenheid van dat dorp. Zijn angst voor de ondergrondse skeletten verdween en de grens aan de stenen brug over de rivier werd verlegd naar de kerktorens van de dorpen in de omgeving, waarin op een dag aan het begin van de herfst de kasseien en straatstenen verdwenen en wegen van op drop lijkend asfalt werden aangelegd. In het licht glooiend landschap, door de wispelturige schaduwen van hoppevelden en rijen populieren, fietsten Hugo en zijn buurmeisje onder de gloeiende septemberzon. Ze heette Vera Gunst en was tegen Eddy Merckx. Ze reed iets voor hem uit. Haar kont wiegde heen en weer over het te grote dameszadel en haar blote kinderbenen gingen in eindeloze cirkels recht op hun doel af. Al probeerde ze hem er niets van te laten merken, hij wist van haar loslippige broer dat ze hem in stilte aanbad. Zou dit liefde zijn? Het antwoord kwam vrij snel. Op het hoogtepunt van een indianenspel voerde hij zijn elfjarige squaw op een ochtend naar de oude appelboom in haar vaders moestuin, tot manshoogte aan het zicht onttrokken door de uitbundige sperziebonen, waar hij, Boze Beer, haar tere polsen met henneptouw om de stam bond, haar buik en oksels kietelde en met een wilgentwijg haar dijen geselde tot ze om genade gilde. Even later lagen ze op het grasveldje tussen de paardenstallen en de kippenren. Een groene muur van Japanse duizendknoop beschermde hun flank tegen vijandige invallen van haar broers. Ze noemde hem een gewetenloze boef, klaagde over de pijnlijke striemen op haar dijen, tilde zuchtend haar rokje op en rilde als een rietje toen zijn lippen haar gekneusde huid beroerden. De geur van het ochtendfrisse gras vermengde zich met die van Marseillezeep en bedwelmde zijn zinnen. Ze kreunde, maar hij voelde zich een idioot en wist met zijn handen geen blijf. Hoog boven hen brandde de zon. Een schare duiven keerde klapwiekend terug van een oefenvlucht. Vera duwde hem zacht op zijn rug en kwam met een dromerige blik naast hem liggen.

‘Kijk,’ zei ze, ‘nevelnestjes!’ Ze wees Hugo op enkele bedauwde hangmatwebben in het hoge gras. Terwijl hij opkeek sloeg ze haar arm om zijn middel en drukte haar lijfje tegen hem aan. Haar adem rook naar viooltjes.

‘Nevelnestjes?’ Hij durfde geen duim te verroeren.

‘De kabouters vangen de ochtendnevel in het spinrag en bedekken zo de toegangswegen naar hun holletjes,’ zei ze, ‘zo houden ze het lekker koel.’

‘Meisjespraatjes,’ smaalde hij, ‘wat een flauwekul. Dat geloof je toch zelf niet?’

Toen gebeurde het. Terwijl ze hem plots ernstig aankeek, fluisterde ze zacht ‘toch wel’ en drukte haar vochtige lippen op de zijne. Hij was compleet overrompeld. Na die dag ontweek hij haar.

 

De volgende zomer won Luis Ocaña de Ronde van Frankrijk. Hugo wist toen nog niet dat dit zijn laatste echte vakantie bij zijn grootouders zou zijn. Een paar winkeliers vervingen de geschilderde reclamezuilen aan hun voorgevel door grappige, kleurrijke neonletters, op het dorpsplein werd de kiosk afgebroken en in de rivier, die sinds kort op hete dagen stonk als een riool, verdwenen in ijltempo de waterplanten en de rietzuilen. Er werd steeds minder paling gevangen en Hugo kreeg andere interesses, zoals de verrukkelijke intimiteit van Fabienne en Francine, de tweelingdochters van apotheker Van Coullie. Hij beging steeds vaker de zonde van de zelfbevlekking. Dus wendde hij zich tot de Heer Jezus Christus en werd van veel verslavingen verlost, behalve die één, waar hij vruchteloos tegen streed, vooral tijdens het ontwaken. Hij schaamde zich, vooral tegenover Jezus, die met zijn bloed had betaald om het zielenheil van onverbeterlijke zondaars zoals hij te redden.

De onherroepelijkheid van de dood was hoe dan ook een eng en raadselachtig begrip. Het kreeg voor het eerst een gezicht na de vergiftiging van zijn lievelingskat en de dood van het trekpaard Blanche, op welke momenten alle implicaties van de eindigheid van het bestaan goed tot hem doordrongen. Hij herinnert het zich niet meer heel precies, maar er is een gerede kans dat die laatste gebeurtenis zich aandiende op een middag laat in oktober, tijdens de oogsttijd van de walnoten – daar wijzen de okerbruin verkleurde vingertoppen in zijn herinneringen op. Hij zat met opgetrokken knieën op de vensterbank van zijn slaapkamer naar een drakenkop en een schildpad in de wolkenlucht te kijken toen het geklepper van zware hoeven zijn aandacht trok. Berten Develter en zijn blondgelokte paard kwamen aangelopen. Op de open kar lag een vracht boomstammen, en net toen Hugo bedacht hoe sterk een paard moest zijn om zo’n zware last te torsen, zakte de merrie door haar benen en kwam met een harde klap op haar rechterflank terecht. In paniek maakte ze enkele vergeefse loopbewegingen en strekte briesend haar nek. Hugo rende halsoverkop naar buiten, de vragende blik van zijn grootmoeder negerend, en streelde aarzelend het dampende en rillende lijf van het kolossale beest. De olieachtige zweetdruppels verspreidden een bijzondere geur en het leek alsof hij zijn vingers brandde toen hij de stugge, korte haren beroerde. De merrie deed geen poging meer om op te staan. Ze staarde hem aan met een gigantisch bruinzwart oog tot, als met een vingerknip, het leven uit haar blik verdween. Onder het achterlijf vormde zich een gestaag uitdijende plas urine.

‘Blanche? Blanche!’ Berten struikelde over zijn grijze kiel, viel op zijn knieën en kroop luid jammerend om hem heen naar zijn paard. Hugo zag de radeloosheid in Bertens ogen, waardoor hij nog kleiner en onbeduidender leek dan gewoonlijk. Dan klemde Berten zijn armen om de hals van het dier, tilde met zijn gekloofde handen het enorme hoofd op zijn schoot en boog voorover, alsof hij hoopte het beest met een kus weer tot leven te wekken. Vierendertig jaar was Blanche zijn metgezel geweest. Hij had haar zijn diepste geheimen toevertrouwd en inniger en oprechter van haar gehouden dan van om het even wie, zijn vrouw, twee zonen en dochter inbegrepen. Auto’s stopten en de chauffeurs hielden het aankomend verkeer tegen. Onder de donker wordende hemel vormden de dorpelingen een wijde kring om het paard en de man. Hugo huilde, al wist hij niet goed waarom. Misschien uit medelijden met Berten, of om de hardheid van deze confrontatie met Blanche ’s dood. In het gebroken oog had hij voor het eerst heel duidelijk een glimp van zijn eigen eindigheid gezien.

‘Paarden hebben,’ preekte de pastoor de volgende zondag, dankbaar refererend aan het voorval, ‘net als alle dieren, de ongedoopte negers in Congo, de wilden in Brazilië en muzelmannen in het Oosten, geen ziel. Daarom kunnen ze niet gered worden van de erfzonde en blijft het Paradijs voor hen gesloten. Wij daarentegen, waarde mindergelovigen, moeten Jezus dankbaar zijn voor Zijn offer aan het kruis, waarmee Hij ons van de eeuwige dood heeft gered. Laat ons bidden.’

Berten kocht een karmozijnrode trekker D50 van Deutz. Oma Irene stierf een korte tijd later, tussen kerst en oudejaar. Ze lag opgebaard in de garage onder het magere licht van een fluorescentielamp. Hugo mocht haar nog een laatste keer zien. Met de felrode lippen en de witkanten sjaal leek ze wat op een pop, heel bleek, met haar vingers als vogelklauwen gebonden in een zwart parelsnoer. Hij weigerde haar te kussen. Er kwamen massa’s mensen om haar te begroeten. De vrouwen spraken op fluistertoon en de mannen keken ernstig; ze aaiden hem over het hoofd. Toen iedereen vertrokken was, zag hij grootvader en vader voor het eerst huilen. Juffrouw Ida, de huishoudster, probeerde hem te troosten. Hij was veertien en een hoofd groter dan zij.

‘De dood en de verrijzenis,’ orakelde de priester, omgeven door zonnestralen, wierookwalmen en dansende stofdeeltjes, ‘zijn de raadselachtigste uitingen van Gods liefde. Er wacht Irène De Vos geen eeuwigdurende duisternis. Na het achterlaten van haar stoffelijk omhulsel zal haar ziel in het overvloedig licht van de hemel arriveren bij God, de Heer en de engelen, om in de Heilige Geest deel te nemen aan het eeuwig leven.’ En wat later, op het kerkhof: ‘Uit stof zijt gij gekomen en tot stof zult gij wederkeren.’ Die donkere zin weersprak volkomen de vorige, en dat zou Hugo nooit meer vergeten.

 

Een jaar later werd Pé Cesar begraven, evenals Urbanie Wullus van de speelgoedwinkel en Rémi Cornet, de ongelukkige en meestal beschonken bastaardzoon van een Engelse piloot uit de Grote Oorlog. Na een lang ziekbed overleed ook Yvonne. Ze was achtenvijftig geworden. In het openbaar liet Julien geen traan, maar in zijn hart waren de wetten van de rechtvaardigheid overtreden.

Er werden natuurlijk ook kinderen geboren, maar minder dan vroeger, en steeds meer jongelui namen de benen. Huizen en winkels kwamen leeg te staan, en de meeste cafés sloten hun deuren. De gouden tijden waren definitief voorbij – daar waren alle achterblijvers het voor één keer over eens. Eén weekend per jaar, rond de derde zondag van september, herbeleefden ze wat van de oude glorie als de émigrées en hun kinderen hen tijdens de kermisdagen een bezoek brachten. In de kakofonie van vrolijke kermisorgels, weemoedige accordeons en opzwepende synthesizergeluiden werd er op het dorpsplein gefeest door de verzamelde jeugd. Op andere plaatsen vonden er een biljartprijskamp, een koningsschieting, drie kermiskoersen, een paardenkoers, een ballonwedstrijd, een prijskamp in het liegen en verschillende duivenvluchten plaats, en op een wei langs de rivier werden oude beroepen gedemonstreerd. De geschiedenis had onmiskenbaar een voor getrokken tot in het heden, maar de toekomst had nog geen duiding gekregen. De eerstvolgende werkdag vertrok het kermisvolk en verviel het dorp in zijn dromerige lethargie.

Jaren later, toen Hugo bij een bezoek aan zijn grootvader zijn eerste auto voor Het Christen Volkshuis parkeerde, zag hij Juliens gestalte achter het raam verschijnen. Hij leek een stuk kleiner geworden, maar dat kon aan de clivia’s liggen, die met hun oranje bloesems het hele vensterkozijn vulden. Ze groetten elkaar met de hand en lachten oprecht om dit weerzien. ‘Ik kom zo meteen even bij je langs,’ zei Hugo met zijn wijsvinger en zijn ogen. Julien knikte. Op de rand van de dakgoot, hoog boven hen, babbelden oude prijsduiven over het weer. Bij de inkomdeur zat een kat te wachten om samen met Hugo naar binnen te gaan.

Hoe ik Surinaamse Maria leerde kennen

Ik ontmoette Surinaamse Maria voor het eerst op een regenachtige zondagavond aan het eind van de maand januari in 2010, toen ik met een vierkoppige delegatie van de Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica soupeerde in Le Garage. Tijdens het vijfgangenmenu met aangepaste wijnen dronk ons gezelschap stevig door en werden we steeds luidruchtiger. Dat gedrag werd aangemoedigd door de bijzondere ambiance die altijd in deze zaak hangt: de tafels staan nogal dicht bij elkaar en er worden doorlopend toefjes gezellig gepraat en gelach geserveerd op bedjes van krokant geroezemoes. Harry Mulisch, die negen maanden later als schrijver des vaderlands onder een regenboog naar de ontdekking van zijn hemel zou gevaren worden, zat enkele tafeltjes verderop in het gedeelte voor de ‘reguliere’ gasten, omringd door een drietal mindere goden uit het schrijverswereldje. Hij deed zich tegoed aan een Filet de rouget au curry, tomate, chorizo et les moules de Bouchot en een glas plat water.

Zij zat aan het tafeltje links van me in de ‘arrangementensectie’, en was vergezeld door een oudere heer in een Italiaans streepjespak. Haar geraffineerde opmaak harmonieerde volmaakt met de snit en de kleur van haar niemendallenjurk. Verder droeg ze fluweelzwarte Pradalaarsjes, een eenvoudig maar duur ogend halssnoer van natuurparels en een witgouden ring met een indrukwekkende diamant. Het stel voerde nauwelijks een conversatie en de dame zocht voortdurend oogcontact. Doorgaans heb ik een bloedhekel aan dit soort opzichtige societyvrouwtjes, maar op de een of andere manier hadden haar verholen avances die dag niets aanstootgevends. Meer nog: ze intrigeerde me. Een rijpere versie van Rihanna, net dat tikkeltje donkerder ook en dus knap, héél knap – en dat wist ze. Toen haar tafelgenoot opstond en achter in het restaurant door de deur naar de toiletten verdween, verontschuldigde ik me bij het gezelschap en stapte onvervaard naar haar tafel.
‘Thomas Legrand,’ zei ik, en kuste de mij aangeboden rug van haar hand. Haar parfum gleed wellustig mijn gastvrije haven binnen.
‘Ik heet Maria. Hebben wij elkaar niet al eens eerder ontmoet?’
‘Nee. Dát zou ik me echt wel herinneren.’
‘Wat vreemd. Bent u dan de schrijver Georges Martin niet? En was u onlangs niet te gast in De Wereld Draait Door?’
‘Nee. Ik ben hoogleraar Geologie. Ik schrijf, heel veel zelfs, maar zonder literaire aspiraties.’
‘In dat geval hebt u een dubbelganger. Een ontzettend charmante man.’
Ik negeerde haar vleierij en wilde me weer naar mijn tafelgenoten begeven, toen ze met pretlichtjes in de ogen een visitekaartje opdiepte uit een reusachtige Vuittontas die de hele tijd braaf aan haar voeten had liggen slapen. Creative Concepts! B.V. – Maria van Boscoop. Storyteller.
‘Bel me gerust als je eens een praatje wilt maken,’ zei ze en knikte met haar hoofd in de richting van mijn tafeltje. ‘Gezellige boel daar. Hebben jullie een feestje?’
‘Nee, gewoon de afsluiting van de jaarlijkse evaluatie van het aanwervingsbeleid. Vorig jaar zaten we in het Okura. Ook niet slecht.’
Toen ik met een zachte handdruk afscheid van haar nam, kwam haar tafelgenoot weer tevoorschijn, handenwringend en met minuscule resten wit poeder op zijn neusvleugels. De man rekende even later af met zijn creditcard en het stel vertrok. Alle heren vergaapten zich aan deze mooie vrouw, dochter van een blanke Rotterdamse en een Ndyukaman uit Marowijne. Ze was tweeënveertig, maar oogde jonger dan dertig.

‘Zien en gezien worden is het enige wat telt in deze tent,’ zei Arjo Van Dijk, de kale Directeur Bedrijfsvoering, terwijl hij een stukje lauwe Homard à la nage de Provence naar binnen lepelde. Zijn bril stond zoals altijd scheef op zijn neus en zijn hoofd glom van het zweet. ‘Waar ken je haar van?’
Ik schudde spijtig mijn hoofd. ‘Een persoonsverwisseling. Helaas, moet ik wel zeggen. Dit is overigens een voortreffelijke Chablis.’
‘Het is hoogstwaarschijnlijk een escorthoer,’ verkondigde Wanda Drossaard, Hoofd Human Resources en de enige vrouw in het gezelschap.
‘Of een Hoofd HR,’ schamperde Financieel Directeur Karel Hollink.
De mannen proestten het uit. Wanda deed alsof ze Karels opmerking en het vernederende gelach niet had gehoord, en nipte aan haar wijnglas. Ze had al grovere beledigingen moeten slikken. Karel had het niet door, maar Wanda wist veel over zijn privéleven. Te veel. Onlangs had ze me toevertrouwd dat in haar brein diverse scenario’s sudderden waarin Karel Hollink op een gruwelijke manier te gronde ging en voor altijd uit haar vaarwater zou verdwijnen.
‘Alle vrouwen zijn stronthoeren,’ zei Pim Koelewijn, Algemeen Directeur van de Environmental Sciences Group. Het gelach verstomde. Er school een ontzettend boze ondertoon in zijn stem. Hij dronk zijn glas leeg en keek onheilspellend in de richting van de sommelier, die hij een teken gaf om een nieuwe bestelling op te nemen. De man knikte stijfjes en bewoog zich zo soepel in de richting van onze tafel dat het leek alsof hij op een rollend trottoir stond.
Het verhaal was algemeen bekend. Pims vrouw was er onlangs met een zakenman uit Utrecht vandoor gegaan. Op een avond reed hij straalbezopen naar het landhuis van zijn rivaal en bekogelde diens Porsche en voordeur met de bestrating van de oprijlaan. Zijn aldaar aanwezige echtgenote probeerde hem te bedaren, maar hij verkocht haar een dreun met de number 7 uit zijn golftas. Lip gescheurd en een snijtand gebroken, veel bloed, geroep en gescheld, enfin… lang verhaal kort: de politie kwam er aan te pas en Pim werd onvrijwillig passagier van een politiebusje. Vooral de agressie tegen de hulpverleners werd hem zwaar aangerekend. Hij was voor twee maanden zijn rijbewijs kwijt, en had er een straatverbod en een flinke boete bovenop gekregen. Het dossier woog loodzwaar op de echtscheidingsprocedure.

De sommelier meldde zich verrassend snel terug en we proefden een nieuwe fles Puligny Montrachet. Arjo hervatte het gesprek met een roddel over Antoine, een Angolese assistent-docent die door de omvang van zijn ronde, bolle neus de bijnaam ‘Knol’ had gekregen. Knol had dringend een nieuwe meesteres nodig, gnuifde Arjo, want sinds hij single was droeg hij zijn bloezen steevast twee of drie dagen na elkaar en liep met vieze boorden en gevlekte oksels rond. De geur…
‘De zweep er over. Tsjakkaaa!’ Pim zag de scene helemaal voor zich. Hij stond wankelend recht en deed alsof hij Knol een schop onder zijn hol verkocht. ‘Smerige Congolese onderkruiper! Poetsen godverdomme!’ riep hij ontzettend luid. Vervolgens ging hij weer zitten en morste het glas wijn op zijn overhemd, dat nu als een natte dweil om de vetbult op zijn buik zat. De andere gasten keken verbijsterd in onze richting en achter de bar vertoonde Joop Braakhekke tekenen van ernstig verhoogde nervositeit. Harry Mulisch daarentegen zat onverstoorbaar zijn aanbidders te doceren over de inktkleur die gebruikt moest worden om de ultieme oorlogsroman te schrijven. Zwart… was zo… zwart… maar wel hartstikke duidelijk op dat laffe wit, nou ja… en sepia was gewoon een eerlijke, natuurlijke, ongekunstelde kleur, rechttoe rechtaan, net als zijn favoriete politicus, Geert Wilders – no doubt about that!
‘En met Rita Pereira?’ riep Arjo. ‘Hoe zou het met onze Rita zijn?’ Rita Pereira was de Portugese hoofddocente Production Ecology and Resource Conservation die, ofschoon ze pas dertig was, al een publicatie door het tijdschrift Nature had laten accepteren – iets wat Arjo zijn hele academische carrière niet was gelukt. Ze had nog geen bijnaam, maar dat zou niet lang meer duren. ‘Aan vrolijke vriendjes zal het haar niet ontbreken,’ lalde hij, uitdagend in mijn richting kijkend, ‘met al die geile bavianen die zich in de professorenkamer verdringen om haar te besnuffelen en te bepotelen.’
Ik barstte uit in een luide lach en rook ostentatief aan mijn rechter middelvinger. Arjo en Karel juichten en staken verbroederend de schouders en koppen bij elkaar.
‘Heb je haar echt…? Nee maar… Meen je dat, Thomas, meen je dat echt? Waar en wanneer?’
Ik knikte vals bescheiden en liet me het extra glas Chateau Latour voorzetten dat ik net had besteld. Mijn reputatie als womanizer was nog steeds intact.
‘Stelletje smeerkezen,’ knorde Wanda. Ze viste een stuk kurk uit haar wijnglas met de nagel van haar pink.
‘Rita is geweldig!’ improviseerde ik. ‘Weten jullie dat ze…’ – ik keek even over mijn schouder en praatte een octaaf lager – ‘een zwak heeft voor kale mannen?’
Arjo gaf geen krimp. Precies de goede reactie.
‘Dat komt,’ fluisterde ik na een korte pauze, ‘omdat ze gek is op headfucken!’
‘Nee!’ riepen de anderen in koor.
‘Ja!’
‘Jullie zijn weerzinwekkende griezels,’ murmelde Wanda.
‘En als ze klaarkomt, gilt ze de hele wijk bij elkaar.’
‘Je liegt,’ zei Pim. ‘Als Rita klaarkomt, huilt ze als een berenjong. Ik kan het weten want ik heb haar gisteren gedaan.’

Op dat ogenblik kwamen vijf obers aangelopen met de Filet de turbot à la sauce de foie gras et les câpres. Toen de vijf zilveren stolpen simultaan werden opgetild, ontstegen de aroma’s van citroen en truffel de huisbakken vectorruimte van de haute cuisine.

Eschatologie

Het was een bar koude ochtend aan het eind van november. De vorige avond was er wat fijne sneeuw gevallen en ‘s nachts had het hard gevroren, maar onder de warme deken merkte het slapende jongetje niets van deze eerste winterprik.

Opeens was hij klaarwakker. Had hij daarnet iets gehoord? Luister, daar klonk het  wéér: een aanzwellend geluid, als van metaal op metaal, dat zijn haren te berge deed rijzen. Het kwam van buiten en hij wist niet wat het was – niets menselijks, dat stond vast. Het jongetje opende zijn ogen en staarde in de duisternis naar de plek waar elke ochtend het eerste daglicht als een zilveren streep door een kier van het rolluik viel. Daar was geen lichtstraal te zien, dus buiten moest het nog donker zijn, en al gloeide de wandradiator zo hard dat hij hem niet kon aanraken zonder zijn vingers te branden, in de kamer was het nog stervenskoud. Ergens tegen de wand boven hem hing het touwtje van de kroonluchter, maar hij aarzelde een poosje voor hij er zijn arm naar strekte. Soms, zoals nu, was hij bang dat hij, reikend naar het touwtje, ineens iets anders beet zou pakken, iets vreselijk engs als de harige romp van een monster. ‘Monsters bestaan niet,’ had zijn vader al minstens honderd keer gezegd, ‘zeker niet op jouw kamer.’ Toch wist je maar nooit… Dus telde hij stilletjes tot drie, rukte aan het touwtje en verdween ijlings onder de lakens. Na enkele tellen verschenen zijn ogen weer boven de rand van het dekbed. Er was niets te zien. Enigszins gerustgesteld ging hij rechtop zitten, geeuwde zonder een hand voor zijn mond te houden en wreef de slaap uit zijn ogen. Ergens boven hem tikte de buis van de centrale verwarming. Er mochten dan misschien wel geen monsters zijn, dit huis was nooit zonder akelige geluiden. Het jongetje ging op zijn buik liggen, dacht even aan de arme dieren die het daarbuiten vreselijk koud moesten hebben, en viel in een oppervlakkige slaap.

‘Ieurrrrwwwu!’

Het jongetje werd weer wakker. Wat zou het kunnen zijn, dacht hij, en meteen weerklonk de kreet opnieuw. Hij leek wat op het gekrijs van een meeuw, maar was krachtiger en bezat meer autoriteit.

‘Ieurrrrwwwu!’

Nu drong het buitenlicht wél door de kier. Nieuwsgierig gooide hij het dekbed van zich af, liet zijn blote voeten op het koude linoleum zakken en liep op zijn tenen naar het raam. Het lint van het rolluik zat muurvast, maar met een forse haal kreeg hij het in beweging en trok het voorzichtig naar beneden. Aan de horizon, onder een purperblauwe hemel, verscheen de gloed van een nieuwe zon. De wereld was wit en adembenemend mooi. Het hart van het jongetje raakte vervuld van begeerte naar een onbestemd geluk.

‘Ieurrrrwwwu!’

De kreet leek van dichtbij te komen, maar hoe goed hij de omgeving ook afspeurde, hij kon de bron ervan niet vinden. Zo te horen is het een roofvogel, dacht hij, maar is het een buizerd, een valk of een uil? Zijn opa had hem verteld dat heel lang geleden, toen de plek waar ze woonden nog een zee was en de grassen nog niet bestonden, een dinosaurussoort langzaam in een vogel was veranderd. Dat had het jongetje eerst nauwelijks kunnen geloven. Hij was geen domoor, maar hoe was het te bevatten dat de schuwe mussen en goedige kippen uit die verschrikkelijke draken waren voortgekomen? Het was een kwestie van vele, honderdduizenden jaren, had zijn grootvader geduldig uitgelegd, waarin die hagedissen iets hadden gekregen dat op veren leek en waarmee ze van boom naar boom konden zweven. Zo waren de vogels ontstaan. Als je goed naar hun lichaamsbouw keek, zag je dat grootvader gelijk had. In diens boekenkast stond Het Grote Vogelboek In Kleur, waarin het jongetje met potlood een kruisje plaatste bij elke soort die hij tot dusver met eigen ogen had gezien. Mussen kende hij natuurlijk, en merels, koolmezen, lijsters en eksters, maar hij wist ook futen, snippen en smienten aan te wijzen. Hij had veel ontzag voor de uil, maar die had hij nog nooit in het echt gezien. Nieuwe vogelsoorten ontdekken was zijn lust en zijn leven.

Het jongetje wachtte ademloos op de volgende kreet, maar het dier – wat het ook was – liet niets meer van zich horen. In het grasveld onder de appelboom hopten een zestal merels door het dunne laagje sneeuw. Ze pikten in de bevroren appels en vlogen af en aan terwijl ze scherpe, bijna angstaanjagende geluiden maakten. Hij wilde weer naar bed gaan toen hij hem zag zitten, onbeweeglijk en majestueus, op een dikke tak van de fluweelboom van de buren die over de schutting hing. Hij keek het jongetje met zijn zwarte ogen recht in de ziel, verhief toen zijn vleugels, werd gewichtloos en steeg op. Schaduwen en wolken sneeuwstof warrelden van de takken. Toen hoorde het jongetje een oorverdovende knal.

#

Na een val in een oneindig niets werd hij met een schok wakker. Hij lag op zijn rug en voelde een helse pijnsteek in zijn borst. Een onbarmhartige hitte nam bezit van hem. De nieuwe werkelijkheid ontvouwde zich langzaam maar onverbiddelijk, als lag hij machteloos als een stervend dier op de laagwaterlijn naar een stuwende zee te staren. Hij wilde de pijnlijke plek betasten, maar zijn ledematen voelden vreemd aan en bewogen anders dan hij gewend was. Dat was niet het enige: op de plek waar zijn armen en handen moesten zitten, had hij brede vleugels met gele veren en okerkleurige slagpennen, en hij was niet in staat om zijn onderlichaam te bekijken. Eén ding stond vast: hij moest daar zo snel mogelijk wegkomen. Hij spartelde hulpeloos in het rond, krabde met zijn vleugels op de ijzige grond, zette zich schrap om zich op te hijsen, maar wat hij ook probeerde, hij kreeg zijn lichaam niet overeind. Zijn krachten vloeiden vlug uit hem weg en ademen ging steeds moeilijker. ‘Help me!’ kraste hij. Hij gaf zijn vluchtpogingen op. Links van hem naderde een donkere vlek die steeds groter werd.

Het was een in het zwart geklede man met een rode baard, atletisch gebouwd en met een vastberaden stap. Krrrr… krrrr… krrrr… het laagje bevroren sneeuw knerpte onder zijn legerlaarzen. De man hield stil naast de uil en keek hem geringschattend aan. Dan werden zijn ogen gevoelloos en koud. In zijn rechterhand had hij een pistool. ‘Telkens als de uil huilt, moet er een ongelovige sterven,’ sprak hij. ‘Zo staat het geschreven.’

De uil wendde zijn ogen af. Hij kende deze man niet. Hij hoorde hoe dan ook niet thuis in zijn wereld. Wat wilde hij? Wie had hem binnengelaten? Toen zag hij dat een meisje kwam aangelopen. Hij wilde haar waarschuwen, maar zijn stem weigerde dienst. Ze negeerde de man, boog zich bezorgd over de stervende vogel en streelde zijn veren. ‘Shalom,’ zei ze met een zachte stem en begon een gebed op te zeggen. Het was nog een kind. Ze had lange, blonde lokken en donkerblauwe ogen, en droeg een wit jurkje met ruches waarop in roze en blauwe bloemetjes haar naam was geborduurd – Mirjam. In haar blik zag de uil ontzetting en tedere compassie. Zijn ziel opende zich voor de laatste herinnering.

De zwarte man richtte zich ondertussen tot de hemel en prevelde een kort gebed. Dan nam hij het meisje bij de haren, tilde haar op, zette de loop van zijn wapen tegen haar slaap en haalde de trekker over. Stukjes bot en bloedend weefsel dreven door de lucht en kleurden de sneeuw rozerood. Boven dit ijzingwekkend tafereel zag de uil een jongetje achter een vensterraam krijsen en wanhopig met zijn vuisten op de kozijnen bonken. Toen draaide de man met de baard zich om en richtte zijn pistool schuin naar boven.

Alles werd zwart.

 

Christine

In de zomer van 1975, op 16 juli om precies te zijn, werd Christine Madoux zestien jaar. Het verjaardagsfeest vond plaats in het tuintje van haar ouderlijk huis, een onopvallende rijwoning in de Gentse Iepenstraat. Aanwezig waren: mémé Irène, Christines enige nog levende grootouder, haar ouders Albert en Antoinette, respectievelijk inspecteur bij de belastingen en huisvrouw, haar vijf jaar oudere zus Martine, verpleegkundige, haar broer Michel, negentien en informaticastudent, en twee tantes uit de streek van Kortrijk. Naast Martine zat haar verloofde Jean-Claude, net afgestudeerd als kinesist, waarvan ze bij haar vriendinnen opschepte dat hij met een Ferrari reed. In werkelijkheid was het een tweedehands Triumph Spitfire die zijn vader voor een prikje uit een faillissement had gekocht. Tenslotte was er nog Christines beste vriendin Sophie: een Hollandse klasgenote met wie ze al haar geheimen deelde. Jean-Claude en Martine maakten van de gelegenheid gebruik om hun huwelijksdatum aan te kondigen: 2 januari van volgend jaar – de zaal en de DJ waren al besteld. Er werd geapplaudisseerd en witte wijn geschonken. Mémé Irène kneep Martine stevig in de arm en fluisterde dat ze hoopte die dag nog te halen.

De streep zon kroop tergend traag naar de betonnen tuinmuur met de klimrozen. ‘s Zomers lag de tuin na tweeën in de schaduw. Dit was volgens Antoinette één van de grote nadelen van dit huis: je kon nooit eens een middag lekker in de zon zitten. Albert had geantwoord dat ze daarvoor te oud waren. Waarom zou een mens op vijfenveertigjarige leeftijd nog moeten zonnen? Om huidkanker op te doen? Ze woonden er nu tien jaar. Het huurcontract was vorige maand overigens stilzwijgend verlengd. Ze hadden er domweg niet aan gedacht en zaten weer voor vijf jaar vast. Maar ja, waar moesten ze anders heen? Ze woonden er redelijk goedkoop en van de huisbaas hadden ze geen last. Over vijf jaar zagen ze wel weer. Misschien, héél misschien, werd Albert gepromoveerd tot chef de bureau. In elk geval kon hij op 31 maart 1992 met pensioen. Beter nog: als alles goed ging zat hij dan allang thuis, want hij had massaal vakantiedagen opgespaard. Het wijf van de sociale dienst had het voor hem uitgerekend: vooropgesteld dat hij vanaf nu geen vakantiedagen meer opnam, kwam dat neer op bijna twee jaar. 24 april 1990 – wat een toeval: pal op zijn drieënzestigste verjaardag – werd dan officieus zijn laatste werkdag. Toch was dat nog bijna vijftien jaar. Merde. Albert Madoux, geminacht door zijn meerderen en gevreesd door de plaatselijke middenstand, zou op 15 augustus 1989 na een kort ziekbed op 61-jarige leeftijd aan pancreaskanker overlijden.

 

De chips en de zoute pindanoten van de ALDI raakten op, maar dat was niet erg: zo meteen was het eten klaar. Sla met tomaten, een stuk varkensgebraad uit de oven en gebakken aardappeltjes met mayonaise. Albert had voor de gelegenheid drie flessen rode wijn van de Colruyt uit de kelder gehaald. Daarna was er nog schepijs van Artic, verschillende smaken. Er speelde muziek op Michels platendraaier, een LP van Joe Dassin. Christine had een luidspreker buiten gezet, het geluid niet te hard want ze hadden ruzie met de buurman en die mocht geen voorwendsel krijgen om de politie te bellen. Op de keukentafel binnen stonden de geschenken uitgepakt. Het mooiste en duurste cadeau kreeg Christine ook dit jaar weer van haar gefortuneerde tante Henriëtte: de pollepel én de sauslepel uit de klassieke sterling zilverlijn van Christofle. Tante Paula had de taartschep meegebracht. Christine wreef ze op met een zemen doekje en plaatste ze plechtig in de voorgevormde uitsparing van de koffer voor het groot bestek. Sinds haar geboorte kreeg ze van hen elk jaar één of meerdere delen uit deze lijn zodat ze, als ze over enkele jaren wilde trouwen, al een deel van haar uitzet had. Van haar ouders kreeg ze een nieuwe fiets met versnellingen en van Martine en Jean-Claude een leeg cassettebandje. Haar broer had, net als vorig jaar, geen tijd gevonden om een cadeau te kopen. ‘Maar,’ zei hij grootmoedig, ‘je mag altijd mijn platen van Bob Marley en Jimi Hendrickx lenen om ze op te nemen.’

Sophie had een nieuwe vriend, een reuzekerel. Weeral. De laatste tijd grossierde ze in reuzekerels. Christine was een beetje jaloers. Zelf had ze een paar kortstondige affaires gehad. Een keer zelfs, toen ze met haar ouders een week op vakantie was bij het Lago Maggiore, met een échte Italiaan. Maar dat waren allemaal vrij normale jongens geweest; geen reuzekerels.

Sophie was een sexy blondine met een zo goed als volwassen lijf. Twee jaar geleden was ze met haar vader en diens vriendin uit Rotterdam in Laarne komen wonen. Ze gebruikte nogal vaak vreemde woorden, zoals ‘gozer’, ‘teringlijer’ of ‘beffertje’, als ze het over jongens had. Christine zocht in het Prisma woordenboek op wat ‘beffer’ of ‘beffen’ betekende, maar vond de woorden niet terug. Desgevraagd verwees haar lerares Nederlands haar naar de dikke Van Dale en het woord cunnilingus. Christine was ontzet. Bestonden er écht kerels die je daar wilden likken? De rest van de week durfde ze de lerares niet aan te kijken en spookte de nogal technische formulering onafgebroken door haar hoofd. ‘Het likken van de vrouwelijke geslachtsdelen (cunnus) als seksuele prikkeling; syn. cunnilinctio, beffen.’ Beffen, befte, heeft gebeft. Ze sprak het woord zo vaak mogelijk uit, tot het haar min of meer vertrouwd in de oren klonk. Op een ochtend verzamelde ze al haar moed en vroeg Sophie na het zwemmen discreet of iemand haar ooit al eens gebeft had.

‘Maar natuurlijk, meid!’ gilde Sophie. ‘Het is bovendien een van mijn selectiecriteria. Slechte likkers vliegen er meteen uit! Hahahaha.’

Alle hoofden in de bus draaiden zich in hun richting en keken hen nieuwsgierig aan. Christine durfde niet door te vragen. Dat hoefde ook niet want haar vriendin begon al over haar laatste verovering te vertellen. Die kerel, Hugo heette ie, leerde ze dus vorige week woensdag kennen in café De Poort in de Overpoortstraat, waar ie aan de flipperkast stond met zijn maten. En weet je wat het eerste was dat ie zei als ie haar zag?

‘Nee.’

‘Schatje, mijn Durex is op. Loop eens vlug naar de apotheek en koop een nieuwe doos voor me. Hahahaha. En dat om kwart voor één ’s nachts. Trouwens, ook een leuke: een nieuwe doos, snap je ’m? Een super-mega-leuke gast, hoor. Kan je je dat voorstellen?’

Christine kon zich dat niet voorstellen en wilde dat haar beste vriendin wat stiller praatte. Op de bus zaten nogal wat meisjes die ze te vriend wilde houden en die zich dergelijke fratsen ook niet konden voorstellen. Maar Sophie brulde gewoon verder over Hugo’s lekker kontje en zijn geile kwajongensogen.

‘En?’ vroeg Isabelle, een bleek meisje met steil, ros haar en sproeten, dat al de hele tijd peinzend zat te luisteren.

‘Wat… en?’

‘Nou, wat deed je toen?’

‘Wat denk je zelf? Ik antwoord natuurlijk dat ik eerst zijn pik moet opmeten om te weten welke maat ik moet kopen. Hahahaha.’

Christine wendde zich gegeneerd af. Een deel van de meisjes draaide zich verontwaardigd om. Ze leverden onderling – duidelijk hoorbaar voor de rest – geringschattend commentaar op de Hollandse slet. Het waren dochters van bekende politici, rijke middenstanders en bedrijfsleiders, die zich niet inlieten met het vulgus. Christine wilde dolgraag bij hun groepje horen, maar haar vaders sociale status werd lang geleden al gewogen en te licht bevonden.

‘Zit je niet te liegen?’ vroeg Isabelle.

‘Liegen? Waarom zou ik?’

‘Omdat ik niet kan geloven dat je op een woensdagnacht om kwart voor één in De Poort zit. Weten jouw ouders dat dan niet?’

‘Nee. Dat gaat hen ook niets aan. En denk maar niet dat ik daar alleen ben. Soms zit de tent afgeladen vol, en heus niet alleen met oudjes van boven de twintig. Hoi hoi, Valerie!’ Sophie zwaaide uitbundig naar een van de elitemeisjes, dat snel de andere kant op keek.

Welk beroep Sophie ’s vader had, wist Christine niet, maar hij was rijk. Ze woonden in een grote villa aan de rand van het bos, niet ver van het Laarnse kasteel. Hij bracht Sophie soms naar school in een Bentley, en bezat ook een Porsche en een paar auto’s met Italiaanse namen en een futuristisch uiterlijk – heel wat anders dan de crèmekleurige Ford Capri met de matte wieldoppen van haar vader. Sophie was niet erg mededeelzaam over de bezigheden van haar ouweheer. Hij was vaak op zakenreis, zei ze, maar het was Christine volstrekt niet duidelijk welk soort zaken dat dan konden zijn. Eerst dacht ze dat Sophie ’s zwijgzaamheid het gevolg was van haar bescheidenheid, maar daar was ze de laatste tijd niet meer zo zeker van, vooral niet sinds ze de man op een ouderavond op school had ontmoet. Hij droeg dure kleren en gouden juwelen, maar had niet het uiterlijk en het je ne sais quoi van een echt hoogstaand iemand. Bovendien had hij ongegeneerd naar haar borsten gegluurd. Eerlijk gezegd vond ze hem nogal eng. Toen ze wat later bij Sophie op visite was, kwam de vriendin van haar vader thuis van haar werk. Christine had zich luidop afgevraagd welk bedrijf dergelijke hoerige kledij toeliet bij zijn personeel.

‘Als je het echt wil weten, dan kan ik je dat wel verklappen,’ zei Sophie. ‘Natasja is madam op het Zuid.’ Ze spraken af dat in het bijzijn van Christines ouders onder geen beding over deze zaken zou worden gepraat.

 

Tijdens het diner ontstond er een gesprek tussen Michel en Sophie. Michel vond de heisa over de actie Baas in eigen buik van de Dolle Mina’s in Amsterdam fel overdreven. Vrouwen konden erg leuk zijn, mits ze maar hun plaats kenden en deden waarvoor de natuur hen had uitgerust: kinderen baren en ze een opvoeding geven. Het huishouden doen en maaltijden koken was daar een onderdeel van. Tante Paula gaf hem groot gelijk: er kon er thuis maar één de baas zijn. Sophie noemde Michel een ouderwetse bourgeois en een fils à papa.

‘Ken jij dan één vrouw die leiding geeft aan een groot bedrijf, of die politieke verantwoordelijkheid draagt op een hoger niveau dan een parochie of een straatcomité?’ vroeg Michel grinnikend.

‘Nee. Maar dat is niet omdat ze dommer of minder bekwaam zouden zijn. Ze krijgen eenvoudigweg de kans niet!’

Michel wilde dat dan nog wel eens zien. Eén ding wist hij zeker: waar meer dan twee vrouwen samenwerkten, ontstond binnen de kortste keren een sfeer van ongezonde rivaliteit, die steevast eindigde in roddels, achterklap en slaande ruzies. Hij zag het in de supermarkt waar hij een vakantiebaantje had. ‘Man, man, man toch… wat een droeve ellende. Mijn baas heeft meer werk met verzoeningspogingen en ziekteattesten dan met zijn boekhouding.’

Sophie snoof luid om haar boosheid in bedwang te houden en zei niets meer. Die klootzak van een Michel was nog een grotere eikel dan zijn vader. De sfeer aan tafel was wat bedorven en de gesprekken vielen stil. Mémé was op haar stoel in slaap gevallen. Waarschijnlijk door het glas rode wijn.

‘En ik had nog zo gezegd: geen wijn voor mémé!’ foeterde Antoinette op Albert, die onverstoorbaar een monoloog afstak over de wereldbekerfinale Nederland – Duitsland van het jaar daarvoor. Of Sophie zich nog herinnerde hoe Nederland na de openingstreffer van Johan Neeskens toch nog met 1-2 verloor? Jean-Claude, naar eigen zeggen samen met Paul Van Himst ooit de ster van Eendracht Aalst, vond de Duitsers altijd beter. Een groot uithoudingsvermogen… daar stonden ze om bekend. Ze gaven nooit op en aan het eind van de wedstrijd waren ze het gevaarlijkst. Sophie had een klerehekel aan voetbal én aan Duitsers.

Het gesprek viel weer stil. Michel wisselde een blik van verstandhouding met zijn vader. Die Sophie was een gevaarlijk wijf. Hij zou haar desondanks wel eens willen doen. Bij de categorie ‘intelligente én aantrekkelijke vrouwen’ maakte hij doorgaans weinig kans, tenzij ze dronken waren, en dan nog… hij had al zo vaak blauwtjes opgelopen. Hij wist echter dat hij er hoe dan ook in zou slagen om een vrouw te vinden van rijke komaf. De rest, hoe mooi of hoe lelijk ze was, welke studies ze wel of niet had gedaan, zelfs al zat haar hol aan de voorkant, was bijzaak. Hij probeerde zich Sophie naakt voor te stellen en dat was niet zo moeilijk. De strakke bloes prononceerde haar taille en haar borsten, de spijkerbroek onthulde haar welgevormde billen, en de camel toe liet weinig aan de verbeelding over. Maar het waren vooral haar voeten in de mintgroene sandaaltjes – haar tenen in het bijzonder – die hem vreselijk ophitsten. Hij haastte zich naar de badkamer. Hij had maar een paar minuten nodig, én de scene die hij in zijn gedachten had gefixeerd. Toen hij voelde dat hij klaarkwam, nam hij Sophies tenen in zijn mond en zoog ze af. De klodders sperma vielen op de rand van de badkuip. Hij wachtte even tot de grootste opwinding was verdwenen en maakte dan zorgvuldig zijn penis schoon met een tissue van de Lidl. Dan spoelde hij de badkuip met de douchekop, veegde hem droog met wat toiletpapier, inspecteerde de gulp van zijn broek op vlekken en ging weer naar de tuin.

Christine, die het taartstuk met het meeste marsepein kreeg, had ook niets met voetbal, noch met het feminisme. Ze snapte niet waar Sophie zich zo druk om maakte. Het leven kon zo eenvoudig zijn. Zij wilde later gewoon trouwen zoals iedereen, sparen, een stuk grond kopen, kinderen krijgen, overstappen naar een halftime baan of helemaal niet meer werken als het thuis te druk werd, en een eigen huis bouwen. Maar eerst zou ze haar diploma van verpleegkundige behalen en een aardige, betrouwbare man met een goede baan vinden. Een uitdagende klus, want ze vond zichzelf stukken dommer en minder aantrekkelijk dan haar zus, die altijd in de eerste zittijd voor de examens slaagde en de jongens voor het uitkiezen had. De meeste van die jongens vond Christine overigens doodsaai. Ze wil een avontuurlijke en stoere vent, maar hij mocht ook weer niet té avontuurlijk zijn. Ze wilde erop kunnen rekenen dat hij haar leven in handen nam en alles voor haar regelde.

 

Lettres de Léria

Léria ‘s beweegredenen om me te schrijven waren me ook na de tweede lezing van haar brieven niet geheel duidelijk. Puberale verzuchtingen over de afwezigheid van hippe kledingwinkels in het bergdorp Linguizzetta werden afgewisseld met enkele wrange, zelfs rancuneuze algemene beschouwingen over haar beklagenswaardig bestaan als adolescente in Corsica – ‘Ik beschouw het als mijn voornaamste opdracht om tot het eind van dit schooljaar te overleven tussen de wilde zwijnen en horden paleolieten… .’ Eigenlijk had ze niets belangwekkends te melden. Aan het eind van haar eerste epistel hoopte ze vurig (tweemaal onderstreept) dat ik ook mijn volgende zomervakantie in Linguizzetta zou doorbrengen. Ze sloot af met de woorden: Je t’ attendrai. Bizous. Léria Pasqualini.

Op me wachten? Wat mij betrof was er tussen ons niets voorgevallen dat die verwachting kon rechtvaardigen. Ik kon me zelfs niet herinneren dat dit rare meisje tijdens mijn twee weken durende vakantie meer dan enkele woorden tot me had gesproken. Haar chronische schuchterheid was me al opgevallen tijdens de eerste avondmaaltijd – gepocheerde tarbot met Hollandaisesaus, gebakken aardappeltjes met knoflook en rozemarijn, diverse groene salades en een verrukkelijke Domaine d’Henri Chablis 1er Cru – toen haar vader me onder de met gekleurde gloeilampen versierde pergola trots meedeelde dat zijn dochter enkele dagen eerder achttien geworden was. Ik stond prompt recht, feliciteerde Léria en bracht in mijn beste Frans een toast uit op de te verwachten zegeningen bij het bereiken van de volwassenheid. Mijn korte toespraak bevatte een paar riskante dubbelzinnigheden, maar na afloop applaudisseerde iedereen en werd er driftig getikt met de wijnglazen. Het was echt ontzettend warm in de tuin van de Pasqualini’s en de krekels zongen als bezetenen in de pikdonkere wijngaard achter ons. Léria reageerde nogal koeltjes met een hoofdknikje in mijn richting en sloeg de ogen neer. Even later observeerde ik haar terwijl ze een stuk vis naar binnen werkte en nog nakauwend naar binnen liep om een karaf vers kraanwater te halen. Ze droeg een zedige, hoog sluitende zwartzijden jurk tot net boven de knieën en open sandaaltjes met een brede hak. Ze zou nooit een oogverblindende schoonheid worden, daarvoor leek ze teveel op haar moeder: te klein en te mollig. Toch had ze een mooi, vriendelijk gezicht, met donkerbruine ogen en een sensuele mond.

De volgende dagen was ik meestal met haar broer op stap. Thuis zocht ik haar gezelschap niet op, althans niet bewust. Op de een of andere manier leek het bovendien alsof het mij enkel vergund was om haar schaduwen te zien: het dagenlang bij pagina 198 opengeslagen Voyage au bout de la nuit van Céline op de ligstoel met de verfrommelde strandhanddoek; het lege colaglas met het rood-wit-blauw rietje en de sporen van donkerroze lippenstift in het spikkelende zonlicht onder de reusachtige oleander; de half opgedroogde voetstappen met de ver uiteen staande tenen, restanten van een duik in het zwembad; de verlaten keuken waar de groenten en het fruit nog op het aanrecht stonden uit te lekken; het gordijn van haar slaapkamer dat bewoog onder geheimzinnige luchtstromen uit de bergdalen rond de Cinque Frati; mijn bed dat elke dag onberispelijk (door haar?) was opgemaakt in een kamer die rook naar citrus, vanille en wild zoogdier, een geur die ik met haar associeerde omdat hij overal opdook waar ik haar even tevoren had gezien en die op de meest ongelegen momenten mijn lid in beroering bracht. Voor de rest: geen communicatie quoi que se soit. Alleen bij het afscheid liet ze merken dat ze me aardig vond door me pardoes op de lippen te kussen en me wat langer en harder dan gebruikelijk de hand te drukken.

In haar volgende brieven was ze openhartiger, maar niet vrolijker. Ze schreef over haar opvliegende vader en de depressies van haar moeder, dat ze was opgehouden hen te willen genezen door een ideale dochter te willen zijn, dat haar leven bestond uit een aaneenschakeling van periodes van eenzaamheid die haar ongelukkig maakten, dat er in het dorp nooit iets leuks te doen was en dat ze geen vriendinnen had. Ze zat in het laatste jaar van de middelbare school in Bastia en probeerde zich te handhaven tussen de hondsbrutale Pantaloni’s en Orsoni’s. De lange busreis die haar elke ochtend en avond naar en van school bracht was drie uur puur tijdverlies, vond ze, want ze had zo veel boeiende ideeën die nodig uitgewerkt moesten worden. Welke ideeën dat waren schreef ze er dan weer niet bij. Bij wijze van tijdverdrijf hielp ze haar digibete vader met de ontwikkeling van de website waarop straks de eerste vakantiehuisjes van Riva Pasqualini te huur of te koop aangeboden zouden worden. Maar ze keek vooral uit naar eind september, als ze eindelijk aan de École Supérieure in Parijs zou gaan studeren en dit vervloekte eiland voorgoed achter zich zou kunnen laten.

Haar laatste brief was korter dan de voorgaande. Hij bevatte de volkomen overbodige mededeling dat ze geen vriend had en eindigde in een opgewonden Je t’embrasse! Bizous. Léria. Ze had er de kleurenafdruk van een selfie bijgestopt: vanop het stenen muurtje langs de oprit keek ze me lachend recht in de ogen, de kin wat geheven, de lijn van haar hals haarscherp afgetekend tegen de bougainvillea ’s op de achtergrond. Ze was flink vermagerd. Knapper geworden. Maar ik had ernstiger zaken aan mijn hoofd. Ik verkeerde al een week in een staat van uiterste verwarring en was zo ontredderd dat ik besliste om de volgende dag mijn grootvader op te zoeken. De oorzaak van die janboel binnenin mezelf was een andere vrouw: Anabel.